You are hereBoek Natuur op eigen erf, ideeënboek voor erven en plattelandstuinen
Boek Natuur op eigen erf, ideeënboek voor erven en plattelandstuinen

Stelt u zich eens voor: u zit in de tuin. De merel zingt. U ruikt lelietjes-van-dalen. De bloesem van de meidoorn schittert in de zon. De steenuil roept …
Natuur op eigen erf geeft een prachtig overzicht van de mogelijkheden om uw erf of tuin aan te laten sluiten bij de natuur in uw omgeving. Dat kan eigenlijk al heel simpel door bijvoorbeeld de juiste plantenkeuze voor het aantrekken van vlinders of de aanleg van een houtwal. Een bijkomend voordeel is dat de bomen en struiken bij u in de buurt groeien het waarschijnlijk ook goed doen in uw tuin of rond uw erf. Op de meeste erven en in plattelandstuinen is heel wat natuur te vinden. Het erf herbergt tientallen soorten vogels, zoogdieren, vlinders en andere insecten. Iedere plek op het erf heeft weer zijn eigen natuurwaarde. In dit hoofdstuk laten we zien wat de natuurwaarden zijn van bebouwing op het erf, van de erfbeplanting, de boomgaard, poel en sloot, de siertuin en andere elementen als overhoeken en takkenbossen.
Zowel aan de binnen- als buitenkant van stallen en schuren op het boerenerf kunnen allerlei dieren leven. Zo broedt de boerenzwaluw vrijwel uitsluitend in schuren en stallen, vooral in stallen met rundvee. Ze maken het nest van klei, stro en mest en bouwen het tegen richels, balken, waterleidingen of contactdozen. Kerkuilen broeden het liefst in grote, rustige schuren van akkerbouwbedrijven. Ook zoogdieren weten hun weg naar de erfbebouwing te vinden. In het oosten van het land vind je nog wel eens een steenmarter op zolders van schuren en onder allerlei materiaal. Vleermuizen zoeken hun woonruimte graag in spouwmuren en kunnen op zolders en in kelders van boerenbedrijven overwinteren. Ook uzelf profiteert van deze dieren op het erf. Met boerenzwaluwen in uw schuur heeft u veel minder overlast van vliegen. De kerkuil vangt de muizen in uw schuur.
Titel: Natuur op eigen erf, ideeënboek voor erven en plattelandstuinen
Uitgeverij: Roodbont
Auteur: i.s.m. Landschapsbeheer Nederland - www.landschapsbeheer.nl
Uitvoering: paperback
Omvang: blz. 119
ISBN: 9789075280746
Ook de buitenkant van de gebouwen op het erf biedt huisvesting aan verschillende dieren, zoals de huiszwaluw, grauwe vliegenvanger, witte kwikstaart en de vleermuis. Ieder dier heeft zijn eigen voorkeur: de huiszwaluw bouwt zijn nest meestal onder een overstekende dakrand, de grauwe vliegenvanger nestelt graag in nissen van muren.
Erfbeplanting
Boerenerven worden vanouds gekenmerkt door een karakteristieke beplanting die van streek tot streek verschilt. Het gaat hier bijvoorbeeld om houtwallen en singels, hagen, knotbomen en alleenstaande bomen zoals leilindes. De bodemeigenschappen en groeiomstandigheden, de inrichting en het gebruik van het landschap spelen hierbij een grote rol. In het oosten van het land bestaat de erfbeplanting meestal uit de boomsoorten eik en beuk. In akkerbouwgebieden in Noord- en Zuid-West Nederland komen meer rijen en bosjes populieren rond het erf voor.
Historisch zijn de erfbeplanting en het omliggende landschap ook nauw met elkaar verbonden. De verdeling tussen
´voor´ en ´achter´ is daarbij opvallend. ´Achter´ bestaat de beplanting vooral uit wilde soorten die ook in het omliggende landschap voorkomen.
´Voor´ groeien vooral sierbomen- en struiken, zowel wilde als gecultiveerde soorten. Behalve dat erfbeplanting bijdraagt aan een mooi landschap, herbergt deze veel verschillende vogels en zoogdieren en insecten. Hierna lichten we de natuurwaarden van verschillende typen erfbeplanting toe.
![]() |
Houtwallen en houtsingels
Een houtwal wordt gevormd door bomen en struiken op een aarden wal. Een houtsingel staat niet op een aarden wal, maar bestaat vaak uit één of meer rijen bomen. Houtwallen zijn vooral karakteristiek voor de zandgebieden in het oosten en zuiden van het land. Maar ook in andere delen in Nederland, zoals in Zuid-West Friesland zijn houtwallen een karakteristiek landschapselement. In houtwallen groeien plantensoorten als look-zonder-look, dagkoekoeksbloem, fluitenkruid en vingerhoedskruid. Soms komen bijzondere soorten voor. In Zuid-West Friesland zijn het zeldzame appelmos en dubbelloof (een vrij zeldzame varen) te vinden. In Oost-Nederland kan men in en langs houtwallen en -singels de voorjaarsbloeiers slanke sleutelbloem en bosanemoon vinden. Vlinders, zoals de gehakkelde aurelia, de eikenpage en het landkaart je vinden er voedsel en zetten op geschikte planten eieren af.
Houtwallen en -singels zijn ook leefgebied van diverse soorten vogels (grasmus, braamsluiper, grote lijster), insecten (meikevers), amfibieën (padden overwinteren hier ook) en kleine zoogdieren (bosmuis, hazelmuis in Limburg). Ook grotere zoogdieren zoals reeën en dassen zoeken daar hun toevlucht. In gebieden met veel houtwallen- en singels vormen ze samen een netwerk van verbindingswegen voor diverse soorten dieren en planten.
Knotbomen
Knotbomen komen overal in Nederland voor. In natte gebieden zoals laagveengebieden en in beekdalen en langs rivieren vinden we vooral knotwilgen. Knoteiken treffen we meer in houtwallen in het oosten van het land aan. Knotelzen groeien op voedselarme gronden die gevoed worden met kwelwater. Knotbomen herbergen veel verschillende soorten vogels en planten. Ze zijn vaak hol en bieden broedgelegenheid aan steen-, bos- en ransuil en torenvalk. Ook de gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, holenduif, grote bonte specht, ringmus en wilde eend vinden er vaak een plek om te nestelen. Daarnaast maken verschillende vleermuissoorten gebruik van knotbomen. Dit geldt ook voor andere zoogdieren, bijvoorbeeld diverse soorten muizen en marterachtigen als wezel, bunzing, steenmarter en hermelijn. Ook allerlei planten vinden een groeimogelijkheid in knotwilgen.
De eikvaren is een minder algemene soort die regelmatig in knotbomen aangetroffen wordt. De vroeg in het voorjaar bloeiende knotwilgen trekken veel insecten aan zoals zweefvliegen en voorjaarsbijen. De grote wilgenhoutrups en vele andere insecten vinden we onder de schors of in de holten.
Heggen en hagen
Heggen en hagen zijn lijnvormige elementen van struiken. Heggen zijn altijd aangeplant en worden (intensief) beheerd, hagen kunnen ook zijn aangeplant maar ook spontaan zijn ontstaan. Heggen en hagen komen rond erven in heel Nederland voor. Gebieden waarbij hagen en heggen een karakteristiek onderdeel van het landschap vormen zijn Zeeland (Zeeuwse hagen), Zuid-Limburg, Noord-Brabant en Noord-Limburg (Maasheggen). Heggen en hagen bieden broedgelegenheid voor vogels als heggenmus, merel en kneu. Ook allerlei kleine zoogdieren zoals bosmuis, veldmuis en egel schuilen er en planten zich voort. Andere zoogdieren, bijvoorbeeld de bunzing en de wezel zijn in en rond hagen en heggen vaak op zoek naar voedsel. De das gebruikt heggen en hagen als verbindingsweg tussen verblijfplaats en voedselgebied in landschappen die verder weinig dekking bieden. Zo gebruikt de das de hagen in het Maasheggengebied bij zijn zoektocht naar voedsel in de uiterwaarden.
In hagen kan een grote variatie aan struiken voorkomen, zoals sleedoorn, egelantier, meidoorn, hondsroos, haagbeuk, kornoelje en kardinaalsmuts. Deze combinatie van soorten zijn typisch voor Zeeuwse hagen en de hagen in Zuid-Limburg. Deze trekken verschillende soorten insecten aan. In breed en hoog uitgegroeide hagen vinden we in de ondergroei verschillende soorten kruiden zoals nagel kruid, look-zonder-look en hondsdraf.
Leibomen
![]() |
![]() |
Leibomen staan vaak in een rij voor de gevel van boerderijen en dienden vroeger om de wind te breken en om verkoeling te bieden bij felle zon. Zo bleven de melkkamer en de kaasmakerij koel. Leibomen worden op zodanige wijze gesnoeid, dat de takken in één vlak staan, schuin omhoog of horizontaal. Bomen die als leiboom gebruikt worden zijn plataan, iep, kastanje, esdoorn en linde, maar ook bomen zoals appel, peer, kers en pruim. Voor veel dieren is de leiboom een eldorado. Door de dichte takkenstructuur vinden allerlei vogels, zoals groenling, kneu, putter en vink, een nestplek.
Boomgaard
Tot halverwege de twintigste eeuw hadden veel landbouwbedrijven een eigen, kleine boomgaard. Door intensivering en specialisatie zijn veel van deze boomgaarden verdwenen. Toch werden niet overal deze boomgaarden gerooid. In het veenweidegebied hielden veel mensen bij hun boerderij een klein gedeelte in stand. Ook in Zuid-Gelderland en Limburg vinden we nog veel boerenboomgaarden. Doorgaans zijn dit hoogstamfruitbomen. De boomgaard bij een boerderij is meestal vrij klein. Soms staan er zeldzame rassen van fruitbomen, zoals de sterappel. Hoogstamvruchtbomen trekken veel insecten aan en zijn erg in trek bij ringmus, ekster, spreeuw, merel en grote lijster. Oude bomen met veel holten in de stam bieden broedgelegenheid aan steenuilen. Afgevallen fruit trekt in het najaar veel vlinders aan, die de zoete sappen oplikken. Een torenvalk die in de boomgaard broedt, houdt de spreeuwen weg. Ook komen in de boomgaard egels, konijnen en hazen voor. Dassen scharrelen graag in een boomgaard rond, op zoek naar regenwormen en gevallen fruit.
Poel of vijver
Water op of bij het erf heeft een grote aantrekkingskracht op dieren. Kikkers, padden, salamanders en libellen zetten er hun eieren af en vogels en zoogdieren komen er drinken. Ook leven er allerlei beestjes in het water. Op en rond erven komen vanouds poelen voor. Deze dienden vroeger als drinkwatervoorziening voor het vee. Maar ook werden poelen gegraven als wasplaats, blusvijver of siervijver. Drinkpoelen treffen we vooral aan in de iets hoger gelegen gronden in het oosten en zuiden van het land. Hier zijn geen sloten waaruit het vee kan drinken. In het Utrechts-Hollands laagveengebied
en in het rivierengebied zijn veel minder poelen, omdat daar een uitgebreid stelsel van sloten ligt.


