|
Bellis - Asteraceae
Het madeliefje is een rijkbloeiende, tweejarige plant voor de volle zon. Ze groeien op elke grond, maar geven de voorkeur aan een vochthoudende, voedselrijke bodem. Madeliefjes zijn een veel voorkomende weideplant, hoewel hij meerderjarig is, wordt hij meestal als tweejarige geteeld, want reeds in het derde groeijaar gaat de bloei duidelijk achteruit. Uit het bescheiden madeliefjes zijn tal van rassen gecultiveerd. De ´Pomponette´ rassen zijn populair met hun kleine, knopachtige, dicht gevulde bloemen. Madeliefjes geven de voorkeur aan een groeiplaats in de zon of in de halfschaduw, op een lichte, krachtige grond. Door de uitgebloeide bloemen weg te nemen kan je de bloeiperiode aanzienlijk verhogen. Ze zijn geschikt voor tussenbeplantingen, randbeplantingen in de vaste plantenborder, als onderbeplanting van bolgewassen in bloembakken, en als snijbloem voor voorjaarsboeketjes. Heel mooi te combineren met Myosotis.
|

Waar zijn de planten
van dit geslacht
verkrijgbaar?
Zie deze
plantenlijst
van Plantenvinder.NET
|
|
|
|
Madeliefjes zijn doorlevende
vaste planten die vaak als tweejarige worden geteeld. In onze tuinen
zijn fraaie combinaties mogelijk met roze en rode madeliefjes als
ondergroei van witte of gele narcissen. Het madeliefjes is vaak op te
merken op de doeken van schilder Van Eyck (1390-1441). Uitgebloeide
bloempjes verwijderen stimuleert de planten te herbloeien. De bloemen
sluiten zich s´ nachts.
Men kan de vraag stellen:
´Hoe komen deze planten aan hun naam?´ Tussen de Wetenschappelijke naam
BeIIis en de Nederlandse naam madeliefje bestaat een overeenkomst. Want
Bellis komt van ´bellus, beIIa´ wat ´mooi´ betekent. En ook ´madeliefje´
zinspeelt op de schoonheid en de lieflijkheid van het bloempje. Want ´made´
heette bij onze voorouders het grasveld of de weide en deze verwelkomde
het madeliefje even hartelijk als de jonge man zijn liefste.
De Bellis perennis voor de tuin is een luxe uitgave van het madeliefje
in de weide, het is dus een inheems bloempje. De tuinsoorten bloeien
rijker en weliger, de bloemen zijn veel groter en gevulder of hebben
slechts een klein hart en vele rijen lintbloempjes. De soortaanduiding
perennis is een overdrijving, want de madeliefjes zijn niet
overblijvend. Zelfs de rassen die geen zaad geven moet men elk jaar door
deling vermeerderen, anders zullen ze verdwijnen: perennis duidt
waarschijnlijk op het feit, dat madeliefjes als het ware tot de altijd
aanwezige stoffering van de weide behoren.
Madeliefjes komen ongeveer op hetzelfde tijdstip in bloei als het
winterviooltje en hij bloeit eveneens langdurig. Bij de goede rassen
zijn de eerste bloemen geheel gevuld. Later als het warmer wordt krijgen
ook de bloemen van zulke selecties een geel hart, dat echter nooit te
groot mag worden. Als ze volop in bloei staan, vormen de dubbele
madelieven een opvallend kleurpatroon - de kleuren van de witte en
zachtroze soorten doen denken aan viooltjes, donkerroze en karmijnrode
bloemen vallen pas van dichtbij gezien op.
Van
madelieven kan men een paar planten poten of een groot aantal. Ze kunnen
ook goed tezamen met andere planten gebruikt worden: de lichte soorten
passen bijv. heel goed bij donker gekleurde en blauwe viooltjes, bij
vergeet-mij-nietjes en bij muurbloemen. De kleinbloemige soorten zijn
ook geschikt voor de bloembak en voor de teelt in potten, zo kan men er
veel plezier van hebben. Men mag de potten echter niet in de kamer
zetten, ze horen buiten in de vensterbank of op een open veranda.
Bellis heeft voedzame,
niet te lichte grond nodig; de mooiste planten krijgt men op vaste,
zware kleigrond. Een warme standplaats is beslist ongeschikt, daar gaat
de plant steeds meer achteruit. Over het algemeen is de Bellis wel
winterhard, maar een strenge sneeuwloze winter kan hem erg veel kwaad
doen. Madelieven kan men evenals de andere eenjarige perkplanten
bloeiend of in knop kopen, men kan ze echter ook zelf opkweken. Daartoe
moeten ze in juli of augustus uitgezaaid worden en op bedden geplant
zodra de plantjes sterk genoeg zijn. Op één bed zet men zes à zeven
rijen en daartussen houdt men een afstand van ongeveer 15 cm aan. Men
kan ook door scheuren vermeerderen, dat is echter alleen aan te bevelen
bij bijzonder mooie planten. Tijdens de bloei moet men deze reeds
uitkiezen; als ze uitgebloeid zijn snijdt men de bloemen er uit, zodat
er geen zaad gevormd kan worden en de plant gedwongen wordt alle kracht
te benutten om opnieuw uit te lopen. Als dat gebeurd is, haalt men de
planten uit de grond, scheurt ze in kleine stukken, waaraan voldoende
wortels moeten blijven zitten en poot deze op de gewone wijze uit. Mocht
het na het planten warm en droog worden, dan moeten de bedden met
gescheurde madelieven iedere dag licht gesproeid worden, of men maakt
wat schaduw met takken of jute; de planten houden anders op met groeien.
Er
zijn bovendien enkele Bellis-soorten die geen zaad vormen, die kunnen
dus alleen door scheuren vermeerderd worden. Zulke madelieven zijn
bijvooorbeeld ´Brilliant´ met helrode, gevulde bloemen, ´China Pink´ met
roze bloemen en ook van ´Rob Roy´, een kleine donkerroze vorm.
De madelieven tellen vele
soorten, waarvan de indeling niet zo eenvoudig is. Men kan ze
onderverdelen in groot- en reuzen bloemige en kleine tot middelgrote
rassen, maar evengoed in soorten met platte of met buisvormige
randbloemen. Maar toch klopt deze indeling niet geheel, want er zijn
vele tussenvormen.
Voor het bloembed, in
potten en in de tuin zijn de rassen met een bloempje van ongeveer 2 cm
middellijn het meest geschikt. Bovendien zijn van deze rassen de bloemen
zo talrijk, dat ze de bladeren volkomen bedekken. Een andere zeer te
waarderen eigenschap van deze madelieven is, dat de pas uitgekomen
bloemen uitsteken boven de uitgebloeide. De planten zien er dus nooit
slordig uit. Dergelijke kleinbloemige rassen zijn:
- ´Roggli´, met
middelgrote, donkerrode, buisvormige bloemen, waarvan slechts enkele
een geel hart vormen (daarom is er van dit soort maar weinig en
bovendien duur zaad in de handel)
- ´Rob Roy´ in
donkerroze en karmijn, met een zode-vormende groei - wat de bouw
betreft lijkt hij dus op het madeliefje in de weide, maar hij heeft
veel meer en grotere bloemen.
- Ten slotte nog de ´Monstrosa´
-vormen met zeer grote gevulde bloemen zoals ´Bloodstone´
(donkerrood), ´Monterosa´ (roze) en ´Etna´ (met buisvormige rode
bloemen).
Zaaien
Zaaien doe je het
eerste jaar in open lucht op een kweekbed in de schaduw, tussen
begin juni en eind augustus. Je kan ter plaatse zaaien. Eén gram
zaad kan tot 5000 plantjes opleveren. Dun zaaien, kieming na een
7-tal dagen. Zaden niet bedekken. Kieming 7-14 dagen bij 21-24°
C.
Na de opkomst uitdunnen en daarna verspenen op een belommerde
plaats. In de herfst dan uitplanten in de border op 20 cm
afstand. |

Klik op zaaischema voor een
vergrote weergave |
|