|
Groenten
- de Teelt van prei of Allium porrum
Dit is een elektronische bewerking van
de cursus 'De teelt van prei', een bewerking
van Rudi Van Overloop.
Hoofdstuk
3 De zaadwinning
De zaadwinning wordt voor een groot deel gedaan op gespecialiseerde bedrijven. Toch zijn
het de kwekers die hun eigen preirassen prefereren die ze door een jarenlange selectie bekomen hebben. Ze lopen echter het risico dat het zaad niet genoeg kiemkracht heeft of dat de soortechtheid van de
variëteit achteruit gaat.
a. grond
Een zeer belangrijk punt bij de start van de teelt van zaaddragers is de grond.
Wanneer men goed zaad wil bekomen is het noodzakelijk op zwaardere grond te kweken. De teelt op zandgronden geeft meestal zaad van
minder goede tot slechte kwaliteit.
b. bemesting
Daar de zaaddrager bloem en vruchten moeten vormen zal de bemesting ook
verschillen van de bemesting bij de gewone preiteelt, want voor de consumptie wordt de prei na de vegetatieve groei geoogst.
De vorming van de zaadstengels en de bloemen vraagt vooral fosfor en potasmeststoffen. Men zal eerder zeer
voorzichtig zijn met stikstof, dat doet het gewas te sterk groeien waardoor het niet uitnijpt en te zwak blijft. Bij stikstofgiften zal de zaadstengel te lang doorgroeien waardoor de zaadrijping te laat op het jaar komt.
c. planten van de zaaddragers.
Hier heeft men twee mogelijkheden:
1. Gespecialiseerde kwekers die niets aan het toeval willen overlaten zullen bij het uitplanten van de prei de schoonste, best ontwikkelde planten, die vrij zijn van alle ziekten apart uitplanten op een grotere afstand dan de consumptieprei. Men plant verder uit elkaar om de onkruidbestrijding goed te kunnen
uitvoeren.
De prei blijft dan ter plaatse staan tot bij de oogst van het zaad.
2. De meeste kwekers gaan echter tijdens de oogst op het veld gezonde, goed ontwikkelde planten uitplanten op een
apart perceel. Voor de herfstprei gebeurt dit voor de winter, en voor de winterprei gebeurt dit na de winter. Op het zaadperceel worden de preien dan op een vrij grote afstand van elkaar geplant.
d. onderhoudszorgen
De prei geschikt voor het zaad zal het eerste groeijaar, samen met de consumptieprei behandeld worden. De behandeling tegen ziekten en insecten zal weinig verschillen van de normale teelt.
De preirassen die vorstgevoelig zijn moet men tijdens de winter beschermen tegen vorst, omdat er anders na de winter zeer grote schade kan zijn in het vermenigvuldigingsmateriaal.
Men zal de prei voor de zaadwinning zeker goed onkruidvrij houden want onkruid ontneemt veel voedsel en licht aan de planten.
Verder moet men al de planten die aangetast worden door het geelstreepvirus onherroepelijk verwijderen, en een goede
insecten en ziektenbestrijding toepassen om zaad te kunnen oogsten van gezond materiaal. Indien er toch zieke planten voorkomen moet men deze best verwijderen uit de selectie, omdat deze alleen maar een kwaliteitsverlaging van het zaad kunnen teweegbrengen. Het steunen van de zaadstengels blijft meestal beperkt tot het steunen van de stengels die door wind of regen gaan ombuigen en omver vallen.
e. oogsten van de zaden
Het tijdstip van de oogst vraagt heel wat ervaring van de kweker. Men moet er steeds voor zorgen dat het zaad droog geoogst
wordt. Dit bespaart reeds veel werk bij het drogen.
Van zeer groot belang is dat het zaad rijp is, te vroeg geoogst zaad zal veel van zijn kiemkracht verliezen. Wanneer het zaad te lang op de stengel staat zal er veel op de grond vallen doordat het te rijp wordt.
f. werkwijze bij de oogst
De zaadbollen worden met zo weinig mogelijk stengel afgesneden, dit is om rotting te voorkomen. Daarna worden de bollen
op een droge luchtige plaats gelegd zodat ze verder kunnen uitrijpen.
g. het reinigen van de zaden
Nadat de bollen uitgewreven zijn met de hand moet men het zaad reinigen. Grote gespecialiseerde firma's scheiden het zaad van zand, onkruidzaden en stengelstukjes, door luchtstromen.
De meeste kwekers houden het bij het zeven van het zaad. Men gebruikt een zeef waarbij het zand, en de te kleine zaden met het onkruidzaad verwijderd worden. De rest; dit is het grote zaad en de stukjes zaadstengel, wordt uitgezaaid. Men zal naar eigen ondervinding de dikte van de uitzaai bepalen.
h. het drogen van de zaden
Dit is noodzakelijk omdat te vochtige zaden een ideaal milieu vormen voor de ontwikkeling van micro-organismen, die
saprofytisch leven ten koste van het zaad. Er kunnen tevens verschillende schimmels
optreden die het zaad volledig doen rotten. Het vochtgehalte speelt een zeer grote rol in het behouden van de kiemkracht van het zaad. Wanneer het vochtgehalte lager ligt dan 14 % zullen de zaden gaan uitdrogen en zal de kiemkracht ook zeer sterk achteruit gaan. Algemeen wordt er genomen dat het zaad niet te droog maar zeker niet vochtig mag bewaard worden. Een vochtgehalte van 14 % wordt als ideaal beschouwd.
Het drogen gebeurt op zaadwinningsbedrijven in gespecialiseerde drooginstallaties. Kwekers die zelf hun zaad kweken hebben niet de mogelijkheid het zaad te droog te maken. Ze kunnen het zaad ten hoogste luchtdroog krijgen. Het wordt meestal in de zon of op een warme
droge plaats gelegd tot wanneer het naar eigen ondervinding droog genoeg is.
Het bewaren van het zaad gebeurt dan op een droge plaats vrij van vorst maar ook niet te warm. Men zal zeker nooit zaad bewaren in plastieken
verpakkingen. Hierin zal het, ook al is het droog, beginnen schimmelen.
Terug
naar index
|