|
Groenten
- de Teelt van prei of Allium porrum
Dit is een elektronische bewerking van
de cursus 'De teelt van prei', een bewerking
van Rudi Van Overloop.
Hoofdstuk
6 Zomerprei
Rond de jaarwisseling, vanaf half december tot einde januari zaait men de vroege zomerprei. Het is hier van allergrootst belang dat men genoeg planten per m2 zaaioppervlakte
bekomt, die stevig en groot genoeg zijn.
a. Zaaiplaats
Het is zeker nodig dat men beschikt over een verwarmde serre waarin men een nachtminimum van 18° C heeft.
Tijdens de dag is het gunstig dat men de temperatuur nog enkele graden
hoger kan krijgen. Om de stookkosten te beperken is het nodig een goed
geïsoleerde serre te hebben, die liefst niet alleen staat.
Het aanbrengen van bodemwarmte heeft bij het zaaien een zeer gunstig resultaat. Dit kan gebeuren via kunststofbuizen die in de grond worden ingegraven, of met elektrische bodemverwarming.
De preiplantjes kunnen een lage luchttemperatuur goed verdragen wanneer de bodemtemperatuur hoog genoeg blijft. Door de hoge stookkosten wordt de laatste jaren opnieuw gebruik gemaakt van broeimiddelen zoals stalmest en
paardenmest. Het is wel nodig de broeimiddelen minimaal 10 cm onder de zaaioppervlakte te
leggen om verbranding te voorkomen.
De kwaliteit van de planten hangt grotendeels af van de lichtintensiteit die er gedurende de wintermaanden is. Omdat we in een donkere periode van het jaar zaaien, is het nodig de ramen schoon te maken zodat de fotosynthese optimaal is. Meestal wordt er in de volle grond van de serre gezaaid. Maar wanneer men minder grote hoeveelheden uitzaait kan men ook in isimo kistjes zaaien.
Op sommige bedrijven wordt er in perspot of paperspot gezaaid. Van deze methode wordt stilaan afgestapt omdat de perskluit aan de wortel kan blijven hangen bij de oogst en omdat de schacht te kort en krom gaat groeien.
b. De zaaigrond
Een goede zaaibodem is nodig bij vroege prei, tekorten van bemesting uit de opkweekperiode zijn niet volledig meer te herstellen in de latere opkweek. Er zijn wel een paar zaken waar prei in zijn kiemingsperiode en tijdens de eerste groeiweken dankbaar voor is.
Preiplanten vragen een humusrijke grond die niet te veel belopen is en goed bewerkt wordt. Een regelmatige stalmestgifte is noodzakelijk om een goed humuscijfer te bekomen.
De gezondheid van de bodem is eveneens zeer belangrijk, vooral waar regelmatig
preiplanten gezaaid worden is het nodig zorg te besteden aan het ziektevrij houden van de bodem.
Het is aan te raden de zaaibodem te ontsmetten. Men kan ook stomen of laten ontsmetten.
Wanneer men een grondontsmetting toegepast heeft moet men ook geen last hebben van onkruid op het plantbed.
Dit heeft tot gevolg dat men geen chemische onkruidbestrijding zal moeten toepassen. Wieden of hakken van onkruid zal eveneens overbodig zijn. Door een grondontsmetting
krijgt men meer plantbare planten doordat men minder ziekten heeft, minder insecten en geen rovend onkruid.
De zuurtegraad van de bodem heeft ook zijn invloed op het lukken van een zaaiing. Een
pH van 6,5 wordt als normaal beschouwd. Bij de opkweek van de jonge plantjes is het vochtgehalte van de bodem niet zelden een probleem.
De zoutconcentratie kan bij een te lage bodemvochtigheid te hoog oplopen, wat verbranding van de toppen der blaadjes tot gevolg heeft. De zoutconcentratie
mag echter nooit te hoog zijn, daarom moet men best doorspoelen na tomaten.
Een hoog humusgehalte kan reeds vele narigheden veroorzaken. Humus is waterabsorberend waardoor grond langer vochtig zal blijven in droogteperiodes.
Daarom is het nodig stalmest toe te voegen, en dit liefst aan de voorteelt. Andere humusverrijkende organische middelen zijn eveneens aan te raden. Men moet er steeds op letten dat de zoutconcentratie niet te hoog wordt.
Ook de aanwezigheid van voedende elementen mag men niet vergeten om goed ontwikkelde gezonde planten te kweken.
Toch mag men niet overdrijven, wanneer de grond reeds in goede conditie is moet men slechts 5 kg N.P.K. 12-10-10 strooien. Na doorspoelen moet men wel iets meer moeten bijmesten. Men moet toch altijd opletten om verbranding te vermijden, en wanneer de scheikundige bemesting te hoog is gaat men langgerekte slappe planten krijgen.
Wanneer men niet ontsmet heeft moet men een behandeling met een lang werkend bodeminsecticide moeten toepassen.
c. De rassenkeuze voor zomerprei.
Tot voor enkele jaren hadden
alleen de snel groeiende
rassen waaronder vooral de Elboeuf-types een kans als zomerprei. Deze rassen zijn uiterst vroeg maar hebben toch grote nadelen:
- het blad is bleek tot grijsgroen
- beperkte groeiperiode, waarna de prei afrijpt en gele bladeren gaat vormen waardoor de kwaliteit sterk achteruit gaat.
Men heeft toevallig ontdekt dat ook winterrassen zoals Leone, Acadia en Bleustar veel betere resultaten geven. Ze zijn wel een paar dagen later, maar de frisse bladkleur en de lange houdbaarheid overtreffen de vroege rassen.
Het is aan te raden voor de primeur, om er met de eersten bij te zijn, toch nog een gedeelte Elboeuf te zaaien, maar zeker de winterrassen mee te zaaien als zomerteelt. Deze kunnen ongehinderd geoogst worden tot men aan de herfstteelt begint te oogsten.
d. Zorgen bij het uitzaaien.
Men zal enkel ontsmet zaad gebruiken. Voor de telers die zelf zaad winnen, moet men best ontsmetten tegen kiemschimmels.Men neemt best eenjarig zaad. Dit geeft de beste en regelmatigste kiemkracht. Het meerjarig zaad moet men best gebruiken voor
buiten uit te zaaien, omdat daar de opkweekkosten veel lager liggen.
Als energiebesparing en omdat men zaait in een donkere periode, is het best de zaden enkele dagen voor te kiemen. Dit geeft
een vlugge en regelmatige opkomst. Indien men niet voorkiemt moet men toch zeker de zaden een nacht laten weken.
Het zaaibed moet vooraf op temperatuur zijn en moet voldoende luchtig liggen. Men moet ook de juiste grondvochtigheid in het
oog houden. De zaadhoeveelheid is van allergrootst belang bij het uitzaaien van vroege prei onder verwarmd glas.
De verwarming per m2 is duur, en daarom tracht men het rendement zo hoog mogelijk te krijgen. Men krijgt dan soms de neiging
meer zaad te gebruiken, om meer planten op dezelfde oppervlakte te hebben. Wanneer men te dik zaait krijgt men meer kans op
een aantasting van smeul of andere schimmels, wat dan een totale mislukking tot gevolg heeft. Om goede stevige preiplanten te
krijgen waar men weinig last mee gehad heeft tijdens de opkweek kan men best iets te dun zaaien.
Meestal wordt 5 gram zaad per m2 als de goede hoeveelheid genomen, maar men mag nog iets dunner zaaien. Natuurlijk moet er
vooraf de kiemkracht van het zaad nagegaan worden. De ervaring van de kweker is hier van zeer groot belang.
Prei is een donkerkiemer, en daarom wordt het zaad afgedekt. Dit kan gebeuren door het gewoon in te werken, maar omdat
het bovenste laagje zeer luchtig moet liggen, zal er dikwijls wat potgrond of ontzuurde turf gemengd worden met wat grond.
Het mengsel wordt dan in een dun laagje over het zaad gelegd. Dit laagje
beschermt de grond dan ook tegen het uitdrogen.
Niettegenstaande er een beschermend laagje aangebracht wordt zal het noodzakelijk zijn plastiekfolie of glas over de
zaaibodem te leggen. Hierdoor blijft de luchtvochtigheid en de grondvochtigheid goed op peil. Het dekmateriaal moet
regelmatig gedraaid worden, dit om schimmelvorming te voorkomen.
e. Zorgen na het zaaien.
Men moet gedurende de kieming de temperatuur rond of liefst boven de 18°C houden. Wanneer de plantjes
boven komen, moet men het dekmateriaal verwijderen. Dit gebeurt liefst 's avonds, omdat de kiemplantjes het daglicht nog niet
gewoon zijn.
De periode van kieming ligt tussen de 10 á 20 dagen, dit volgens het gebruikte zaad, dat voorgekiemd, gekweekt of direct
uitgezaaid is. Tijdens de kieming moet men reeds preventief behandelen tegen schimmelziekten.
Wanneer de plastiekfolie verwijderd is moet men het zaaibed regelmatig vochtig moeten houden. Men mag nooit teveel ineens
gieten, maar meermaals met kleinere hoeveelheden. Men moet het uitdrogen zeker vermijden, en er voor zorgen dat er geen droge
plekken in de zaaibodem voorkomen. Het gieten gebeurt best in de voormiddag met water dat op serretemperatuur gebracht is.
Vanaf het moment dat de preiblaadjes zich recht zetten, mag de dagtemperatuur van 20° C stilaan dalen, hoge temperaturen in
het begin geven echter minder kans op een aantasting van de brandzwam. Wanneer de plantjes een echt preibaadje gaan krijgen,
dat open staat, moet men de temperatuur tijdens de dag laten dalen tot 12° C. Bij zonnige
dagen mag deze dan toch nog wat
hoger liggen om een maximale fotosynthese te hebben.
Volgens de stand van het gewas moet men tijdens de teelt nog laat bijmesten, toch
moet men opletten voor eventuele verbranding.
Meestal wordt hiervoor N.P.K. 15/15/15 gebruikt, om de planten goed te voorzien van alle elementen. Men
mag hierin toch
zeker niet overdrijven, want men kan een te slap gewas krijgen.
De grond wordt steeds voldoende luchtig gehouden, op rijen zaaien is wel goed omdat men dan nog eens kan hakken.
Een onkruidbestrijding wordt onder glas niet toegepast, omdat de risico's van een mislukking te groot zijn, en omdat meestal
ontsmet wordt. Tegen het uitplanten moet men de planten nog wat afharden tot een temperatuur van 8 à 10° C, om de overgang van binnen naar buiten niet te groot te maken.
f. Het uitplanten in open lucht.
Men moet de preiplantjes buiten uitplanten wanneer de grond daar enigszins goed voor bevonden is. Hij mag niet te nat zijn, de temperatuur van de grond en de lucht moeten zo hoog mogelijk liggen, d.w.z. zo dicht mogelijk bij de temperatuur onder het glas. Het beste tijdstip ligt vanaf 15 maart tot einde maart.
Per jaar kan het erg verschillend zijn. Bij uitzondering wordt er reeds begin maart uitgeplant, en wanneer het een lang koud voorjaar is moet men soms tot half april moeten uitplanten.
g. Planten.

Men plant op rijen die 15 à 20 cm van elkaar liggen. Bij het planten worden meestal 5 rijen ineens geplant. De afstand tussen
de planten bedraagt 5 à 8 cm. Men steekt met de vinger of met een plantstokje een gaatje van ongeveer 3 cm diep, het plantje
wordt goed met de worteltjes in het gaatje geduwd en men drukt daarna aan. Het is hier niet nodig dat men aangiet, in deze
periode van het jaar heeft men eerder wateroverlast dan watertekort.
Ook de ziektebestrijding kan men bijna verwaarlozen, door de koude ontwikkelen zich nog geen insecten en zijn de ontwikkelingsomstandigheden voor schimmels en andere ziekten niet
gunstig.
Pas begin mei, wanneer de meivlieg en de preimot actief worden
moet men moeten gebruik maken van insecticiden. Bij
het gebruik van bestrijdingsmiddelen moet men zeker de veiligheidstermijnen in acht nemen. Men kan een onkruidbestrijding
toepassen zoals bij de gewone herfst- of winterteelt.
Zomerprei wordt in vele gevallen, en vooral in het Mechelse (België) op bedden gekweekt. Men plant 5 rijen op een bed, hierdoor heeft men een aanzienlijke vervroeging van de oogst. De reden hiervan is dat de grond voor het planten vroeger
geschikt is, en omdat de temperatuur van de grond vlugger oploopt bij mooi weer, door het grote bestralingsoppervlakte door de zon.
De oogst gebeurt zoals bij de late prei, maar de verpakking wordt de eerste weken slechts met 3 samen gedaan. Er wordt in het
begin prei per stuk op de veiling gebracht. Na enkele dagen, wanneer de grootste preienpieken voorbij zijn wordt er over het
algemeen met 5 samen gebundeld.
Terug
naar index
|