|
Groenten - de Teelt van prei of Allium porrum Dit is een elektronische bewerking van de cursus 'De teelt van prei', een bewerking van Rudi Van Overloop. Hoofdstuk 7 bis De bemesting van plantpercelen, de grondbewerking van de percelen
1. Organische bemesting
Daar prei een hoog humuscijfer vraagt is een flinke organische bemesting noodzakelijk.
Er dient rekening mee gehouden te worden dat stalmest voor het planten nadelig is. De preischacht die naar beneden moet groeien kan op het mest blijven steken en krom groeien. De schacht kan hierdoor ook te kort blijven. De stalmestgifte kan ook geheel of gedeeltelijk vervangen worden door andere organische middelen. Champignonmest wordt vooral op de tuinbouwbedrijven gebruikt. Ook het gebruik van drijfmest is ten zeerste aan te raden. Een groot voordeel van deze bemesting is dat de aankoopprijs zeer laag ligt. Drijfmest kan zeer regelmatig verspreid worden over het perceel en het kan toegediend worden tot voor het planten, zonder dat de wortels hiervan nadeel zullen ondervinden. Wel moet men bij grote hoeveelheden opletten. Men kan door de stikstof die er de eerste dagen vrij komt wortelverbranding krijgen, waardoor de pas geplante prei een groeiachterstand kan oplopen. Over het algemeen wordt er voor de winter een stalmestgifte gedaan en moet men voor het planten nog een drijfmestbemesting uitvoeren. 2. Scheikundige bemesting
a. Stikstof Stikstof is het element dat de groei en de ontwikkeling van de plant bevordert. Vooral kort na het planten, bij de groeihervatting van de planten is er een grote behoefte aan N. Het is aan te raden voor het planten 250 kg zuivere N / Ha toe te dienen. Tevens moet men 2 à 3 weken later nog een overbemesting, doen met 50 kg zuivere N, volgens de stand van het gewas moet men nog een overbemesting toedienen van 50 kg zuivere N. Deze laatste bemesting kan wel hoger of lager liggen. Wanneer men reeds een vlokke groei heeft en een donkere bladkleur moet men niet meer bijbemesten. Als specifieke N-meststoffen zijn kalknitraat, kalkamonsalpeter en amoniaknitraat te gebruiken. Deze meststoffen werken zeer vlug en na 8 dagen moet men reeds resultaten zien. b. Fosforbemesting (P2O5) Fosfor is het element waar prei weinig behoefte aan heeft. Dit is het element dat hoofdzakelijk nodig is voor het zaad, en dus ook weinig moet uitrijpen. Men zal dan ook in vele gevallen geen fosforbemesting toepassen. Indien men toch P2O5 toedient zal 50 à 100 kg reeds volstaan. Meestal wordt deze meststof voor de winter gegeven. Thomasslakken of Superfosfaat worden hier wel eens gebruikt. c. Kalibemesting (K)
Deze bemesting is minder belangrijk dan de N bemesting maar mag zeker niet vergeten worden. d. Calcium (Ca) Dit element wordt door prei in veel mindere mate opgenomen. Het zal daarom niet nodig zijn om jaarlijks grote hoeveelheden kalk te strooien. Op zure gronden en op gronden waar zeer veel organisch materiaal op gebracht is, zal een Ca-bemesting nodig zijn. Eens het Ca cijfer hoog genoeg is, zal deze bemesting geminimaliseerd worden. Men moet er steeds voor zorgen dat de ph tussen de 6-7 blijft. e. Magnesium (Mg) Prei reageert gunstig op magnesium. Daarom is het aan te raden tijdens één van de
overbemestingen na het uitplanten een samengestelde meststof te gebruiken waarin Mg als
sporenelement in verwerkt is. Besluit Vooreerst moet men zorgen voor een goede organische bemesting. 100 Ton stalmest of drijfmest mogen als normaal beschouwd worden. Men kan specifieke enkelvoudige meststoffen gebruiken, dit wordt echter minder en minder gedaan. Samengestelde meststoffen worden op grote schaal gebruikt. De grondbewerkingen op het
plantperceel Daar de meeste organische bemesting reeds voor de winter toegediend is moet men voor het planten enkel drijfmest onderploegen. In vele gevallen wordt er zelfs na de voorvrucht geploegd zonder toedienen van organisch materiaal. De prei trekt zich naar beneden doordat de wortels verkorten. Wanneer de plant in volle ontwikkeling is bevinden zich 65 % van de wortels in de zone van 0 - 25 cm, 25 % in de zone van 25 - 50 cm en 10 % van de wortels zit nog dieper. Hieruit kunnen we besluiten dat prei wel degelijk een diep bewerkte losse ondergrond nodig heeft, die goed voorzien is van lucht. 2. Bewerkingen op de bovengrond In de meeste gevallen moet men na het ploegen, eggen en daarna rollen, om het bovengrondvlak
aangedrukt te krijgen. Er zullen minder kluitjes in de plantgaten vallen
wanneer men rolt en men kan gemakkelijk lijnen over het perceel trekken.
Het eggen legt de bovengrond fijn, en rollen is goed om het uitdrogen van
de grond te vermijden. Frezen is zeer goed maar wordt toch afgeraden
wanneer men slagregens verwacht. De grond slaagt dan dicht en de
plantgaten lopen toe. Planten die met hun hart onder het plantoppervlak
zitten zijn dan meestal verloren. |