|
Groenten - de Teelt van prei of Allium porrum Dit is een elektronische bewerking van de cursus 'De teelt van prei', een bewerking van Rudi Van Overloop. Hoofdstuk 7 bis2 Het planten en uitplanten
Plantafstanden Het is algemeen bekend dat naarmate men dichter plant, de
opbrengst hoger zal liggen. De grens ligt bij 215.000 platen per Ha. wanneer men dichter plant moet men een opbrengst verlaging hebben. Er zijn ook verschillende nadelen aan een dichte plantafstand: 1. Arbeidsbehoefte Wanneer het aantal planten toeneemt zal ook de arbeidsbehoefte evenredig toenemen. Bij 140.000 planten per Ha zullen we tussen de 825 en de 965 arbeidsuren/Ha hebben, al naargelang herfst of winterprei. Bij een plantdichtheid van 280 000 planten/Ha zal de totale arbeidsbehoefte eveneens het dubbele zijn. De opbrengst zal echter niet verdubbelen waardoor het voordeliger is niet te dicht te planten. 2. Ziekten Wanneer de prei dicht geplant is, zal de verluchting van het gewas bij de grond zeer slecht zijn. De kans op bothrytis en andere schimmels wordt dan zeer groot. 3. Mechanisatie Na het planten wordt er meestal nog eens gehakt en daarna aangeaard, bij een ruimere plantafstand is het mogelijk te mechaniseren, bij zeer dichte plantafstanden is de mechanisatie bijna uitgesloten. Enkele plantafstanden waar de meeste kwekers zich naar richten: Herfstprei : 50 x 10 cm 200 000 planten per Ha Winterprei : 40 x 15 cm 167 000 planten per Ha Bij tekort aan grond kan men wel dichter planten, men moet dan wel rekening houden met de nadelen. Planten Het planten is één van de werkzaamheden die reeds fel gemechaniseerd worden in de preiteelt. Toch wordt er nog veel prei met de plantstok geplant. 1. Planten met plantstok Vooreerst moet men rechte lijnen op het perceel trekken op de gewenste plantafstand. Daarna kan men de gaten steken met een plantstok. Deze heeft meestal 4 pinnen van 18 tot 22 cm lang. Ideaal is een plantstok te gebruiken met pinnen van 22 cm, maar in vele gevallen zijn de planten niet lang genoeg zodat de gaten niet zo diep mogen zijn. Men moet er steeds voor zorgen dat het hart der planten niet onder de grond zal zitten na het aangieten.
Op kleine schaal worden er wel eens gleuven met een aardappelaanaarder gemaakt. In de geulen moet men dan de gaten steken zodat de prei dieper komt te zitten en dus een langere schacht heeft. 2. De gewone ponsgatenmachine Naar eigen keuze worden er op een dwarsbalk 5 of 5 pinnen geplaatst op afstanden die men zelf kan veranderen. De horizontale balk wordt door een krukas die aangedreven wordt door de aftakas van de trekker op en neer gelaten. Hierdoor worden de pinnen telkens de balk naar beneden gelaten wordt in de grond geduwd. Een speciaal systeem zorgt ervoor dat de balk t.o.v. de grond ter plaatse blijft wanneer hij naar beneden gaat. Wanneer de pinnen uit de grond komen schiet de balk vooruit waarna hij weer blijft stil staan om de pinnen in de grond te duwen. De onderlinge afstand van de pinnen bepaalt de rijenafstand. In de meeste gevallen worden op deze machine pinnen van 22 cm gebruikt. Op zandige gronden waar men zeer vlug last heeft van het dichtlopen der gaten kan men ook kortere pinnen gebruiken.
De afstand van de preien in de rij kan men ook regelen. Bij de meeste ponsgatenmachines kan men de gaten in de rij op een afstand van 13 to 33 cm plaatsen. Men heeft hier dus een speling van 20 cm. Na het ponden van de gaten wordt de prei geplant zoals bij het gaten duwen met de plantstok. Men heeft nu wel een ponsgatenmachine ontworpen waarop zittingen gemonteerd zijn. 2 Planters kunnen de planten dan direct in de gaten duwen. Hier heeft men wel het nadeel dat men traag moet rijden zodat de planters kunnen volgen. Men moet dan ook steeds met 3 personen zijn vooraleer men kan planten. 3. Ponsgatenmachine achter spitfrees Op sommige bedrijven wordt prei geplant na vroege aardappelen. Sommige kwekers vinden ploegen dan overbodig omdat we na aardappelen toch een losse bodemstructuur hebben. Hier wordt dan wel eens gebruik gemaakt van een snitfrees als enige grondbewerking. Men heeft nu een systeem ontworpen waarbij een ponsgatenmachine achter de spitfrees gemonteerd wordt. Het grootste voordeel van deze machine is dat de tractor geen sporen nalaat bij het planten. Deze machine was oorspronkelijk echter niet geschikt voor prei, maar voor het planten van tomaten in de serres. Hier wordt gebruik gemaakt van boorpinnen. De pinnen worden met een riemaandrijving in de grond gedraaid. Met aangepaste boren kunnen met deze machine zelfs gaten gemaakt worden voor grote potten. Voor deze machine behoorlijk werkt te laten presteren heeft men een tractor van 50 pk nodig. In serres zal best een minitractor gebruikt worden om het manoeuvreren te vergemakkelijken. Deze machine kan wel interessant zijn op middelgrote bedrijven waar ze voor verschillende teelten kan gebruikt worden, maar op gespecialiseerde preibedrijven is deze machine geen ideaal. 4. Zelfrijdende plantmachine
Er is nu ook een zelfrijdende ponsgatenmachine op de markt. De aandrijving gebeurt door een
benzinemotor. Met deze machine kan men tussen de 200 en de 300 m2 prei per uur planten. De afstand in de rij kan men zelf verstellen, dit hangt af van de afstand die de rol telkens tussen twee ponsingen aflegt. Van deze afstand hangt dan tevens de oppervlakte dat men per uur plant af. De rijenafstand is niet te wijzigen doordat de metalen banden vast op de machine bevestigd zijn. Men kan wel op voorhand een bepaalde afstand opgeven, die voor iedereen wel iets anders kan liggen. Het besturen gebeurt door een wiel dat achteraan bevestigd is. Bij verplaatsingen op de weg wordt de machine aan de tractor gekoppeld. 5. De schijvenplantmachine
Deze machines worden reeds vele jaren op de markt gebracht. Naargelang het model van schijven die men gebruikt kan men prei, bloemkolen of boomkwekerijgewassen planten.
De schijvenplantmachine wordt getrokken door een tractor, de schijven draaien doordat ze in de grond verder getrokken worden. Deze machines hebben een hoge capaciteit, maar per schijf is er een planter nodig, er er moet nog iemand met de
tractor rijden. |