|
Varens
hebben hun sporen verdiend
Varens vormen een grote groep van groene planten met een hoge
decoratieve waarde. Jammer genoeg komen ze in veel gevallen pas onder
de aandacht wanneer andere planten het op ‘moeilijke’ plekken laten
afweten. Dit maakt dat ze worden verbannen naar donkere en vochtige
hoeken: ongunstige plekken waar niets anders durft te gedijen. Een
verkeerde ingesteldheid, want een varen mag niet zomaar aan zijn lot
worden overgelaten.
De
meeste varens zijn langlevende en dikwijls traaggroeiende bladplanten.
Als stengel hebben ze een rechtopstaande, opstijgende of kruipende
wortelstok. Daarrond staan de bladeren in dichte spiralen ingeplant. In
de tropen komen ook boomvarens met een echte, houtige stam voor. De
bladeren vertonen een grote verscheidenheid in bouw.
Varens bloeien niet en geven ook geen zaden. Ze vermenigvuldigen zich
via sporen, hoewel enkele soorten ook kunnen worden vermeerderd via
uitlopers.
Varens behoren tot de pioniers onder de kamerplanten. Zoals veel
kamerplanten, vinden ze hun oorsprong in het Victoriaanse Engeland, in
het midden van de 19 de eeuw. Ze hebben sindsdien echter niets aan
waarde ingeboet. Integendeel, het sortiment is dermate uitgedeind dat
het onmogelijk is de talloze soorten en variëteiten allemaal te
bespreken.
In
Vlaanderen ligt de bakermat van de varenteelt in de streek rond Evergem.
Een handvol succesvolle kwekers hanteert er nog oude beproefde methoden
die sterke en mooi uitgroeiende planten garanderen. Dat kan niet altijd
gezegd worden van buitenlandse varenkwekers.
Regelmatig aandacht
In
tegenstelling tot de gangbare gedachte kunnen varens gemakkelijk over
een langere tijd gehouden worden op voorwaarde dat goede
groeiomstandigheden worden gecreëerd. Daarbij zijn de beschikbaarheid
van water, luchtvochtigheid en diffuus licht van primordiaal belang.
De
grond waarin de varen groeit, moet niet alleen humusrijk en los
(naaldbossengrond, turfmolm of een mengeling van beide) maar vooral
vochtig zijn, anders laat de plant zijn bladeren vallen. Dat betekent
niet dat de plant in de potgrond moet zwemmen: stagnerend water
is als gif voor een varen. Water wordt langs de potgrond toegediend; het
teveel aan water laat men uitdruipen. Er mag in geen geval in het hart
van de plant worden gegoten want dan ontstaat rot.
De
voorkeur voor vocht maakt dat de plant vaak naar de badkamer wordt
verhuisd. De waterdamp die er na het baden blijft hangen volstaat echter
niet om de varen in leven te houden. Verwarmingstoestellen moeten daarom
worden voorzien van waterverdampers ofwel moet de plant regelmatig
worden beneveld met water. Dat laatste is beter dan het water
rechtstreeks op het blad te sproeien. Gebruik steeds regenwater of
onthard water om kalkaanslag op de bladeren door leidingwater te
voorkomen.
Door
de plant in een schaal met water te zetten, creëert men een vochtige
atmosfeer. De varen mag echter niet met zijn voeten in het water staan
en wordt daarom op een verhoogje (bv. stenen of kurk) gezet dat net
boven het wateroppervlak uitsteekt. De varen kan ook in een pot of beter
nog een Aziatische orchideeënpot met gaten in de zijkant worden
geplaatst. De ruimte tussen de potwanden wordt opgevuld met veenmos
(Spaghnum), dat nat wordt gehouden. Stelt de luchtvochtigheid
alsnog problemen dan zoekt men beter zijn toevlucht tot minder
vochtafhankelijke Nephrolepis en Platycerium-soorten.
Varens mogen niet in een donkere hoek worden weggestopt. Het zijn
weliswaar schaduwminnende planten maar ze hebben toch indirect zonlicht
nodig. Ze groeien dan ook het best op een lichte plaats met een
wisselende schaduw en gespreid zonlicht. U kan de meest geschikte
lichtinval meten aan de hand van de schaduw van uw hand. Zijn de
contouren niet erg scherp maar toch nog goed zichtbaar, dan heeft u de
goede lichthoek gevonden. Soorten en rassen met weinig bladgroen mogen
gerust op een wat lichtere plaats opgroeien, maar rechtstreekse
blootstelling aan de zon blijft hoe dan ook uit den boze.
In de
groeiperiode kunnen varens eens in de twee tot drie weken met gewone
plantenvoeding worden bemest. Hun portie wordt t.o.v. andere
kamerplanten gehalveerd (max. 0,5 tot 1 g per liter water). In de winter
is bemesting niet nodig.
Drie
groepen
De
meest gekweekte varens behoren tot drie grote families:
Krulvarens (Nephrolepis)
Venushaarvarens (Adiantum)
Vleugelvarens (Pteris)
Van
de krulvarens is Nephrolepis exaltata veruit de
belangrijkste soort. Ze telt veel variëteiten, die zich onderscheiden in
de mate waarin het blad ingesneden of gekroesd is. Wellicht zijn het de
mooiste varens voor de kamer, want ze groeien voluit en zijn een
indrukwekkende verschijning. Jammer genoeg houden ze het in de regel
hooguit een jaartje uit. De varen vormt geen vruchtbare sporen maar kan
uit sterke uitlopers worden vermeerderd.
De
venushaarsoorten zijn sierlijke varens en veelal afkomstig uit
tropische gebieden. Vooral de fijnbladige Adiantum tenerum en
Adiantum raddianum worden in de meest uiteenlopende vormen en
selecties gekweekt. Het fijne loof kan moeilijk tegen droge lucht, zon
en kou. Dat maakt ze vooral in de winter moeilijk houdbaar, tenzij ze in
een kas opgroeien. Breedbladige soorten als Adiantum hispidulum
en Adiantum grossum zijn in dit opzicht wat minder gevoelig.
Loopt het niettegenstaande deze waarschuwing mis, dan kan men altijd
proberen de plant te redden door hem in water onder te dompelen en de
bladeren daarna aan de basis terug te knippen.
Het
geslacht van vleugelvarens is enorm soortenrijk en bezit talloze
variëteiten. Ze worden hoofdzakelijk als potplant gekweekt. U vindt ze
vaak terug in plantenschalen en -bakken; vooral diverse vormen van
Pteris cretica worden voor dit doel gebruikt. Het zijn tamelijk
sterke varens en daarom erg geschikt voor de beginnende varenliefhebber.
Soorten als Pteris longifolia ontwikkelen lange, veervormige
bladeren en vullen zo op gracieuze wijze de kamerhoek. Er zijn ook
rassen bekend met meerkleurige bladeren, waaronder Pteris ensiformis.
Buitenbeentjes
Asplenium
is een geslacht van merkwaardige varens, dat zich sterk van de eerder
besproken soorten onderscheidt. Broedvarens, zoals Asplenium
bulbiferum en Asplenium daucifolium, ontwikkelen op hun
oudere bladeren kleine broedknoppen, waaruit naderhand kleine plantjes
verschijnen. Van zodra die worteltjes vormen, kunnen ze afgenepen en
uitgeplant worden. Deze varens zijn in de handel minder gemakkelijk te
vinden in tegenstelling tot de al even bijzondere nestvaren
Asplenium nidus. Zoals de naam reeds laat uitschijnen, vormen de
bladeren een trechtervormig rozet dat op een vogelnest gelijkt. Er
bestaat van de soort ook een vorm met ingesneden bladeren.
Voor
hangpotten zijn hertshoornvarens (Platycerium) erg
geschikt. Het zijn tropische epifyten (planten die op andere planten
groeien zonder daaraan voedsel te onttrekken) met een duidelijke
bladdiformie. Dat wil zeggen dat de soort twee soorten bladeren
heeft: de nest- of nisbladeren - de bladeren die in het hart van de
plant groeien - en de fertiele bladeren - de bladeren die vanuit het
hart naar buiten groeien, alsof twee planten in elkaar vergroeien. Een
grijs beschermlaagje behoedt de geweivaren - zoals de soort ook
nog wordt genoemd - tegen overmatige verdamping, waardoor de plant het
ook in verwarmde vertrekken en op iets zonnigere plaatsen uithoudt. Er
bestaan een vijftiental soorten waarvan Platycerium bifurcatum
veruit de bekendste is en het gemakkelijkst te verplegen is.
Platycerium
grande
en Platycerium superbum zijn indrukwekkender dan de voorgaande
maar verlangen dan ook heel wat meer plaats, eens ze zich ten volle
hebben ontwikkeld. De grote, ronde nisbladeren lopen uit in de
gaffelvormig vertakte, rechtopstaande fertiele bladeren. De nisbladeren
kunnen een hoogte van anderhalve meter bereiken. Dat geldt eveneens voor
de bladslippen, die uiteraard naar beneden afhangen.
In
tegenstelling tot andere varens krijgen hertshoornvarens hun
water tussen de nestbladeren toegediend.
Plantenliefhebbers die het wat bescheidener zien, maar even zorgeloos
een varen willen opkweken kunnen terecht bij de kleine maar vrij sterke
rondbladige varens (Pellaea). Deze varens komen
oorspronkelijk uit droge gebieden en zijn daarom minder waterbehoevend.
De potkluit mag echter nooit geheel uitdrogen, zodat deze varen beter in
ondiepe maar niettemin ruime schalen gehouden wordt. Vooral de
dubbeltjesvaren (Pellaea rotundifolia) met ronde, leerachtige
blaadjes is bijzonder geschikt. Daarnaast bestaan er evenwel ook soorten
met driehoekige of langwerpige blaadjes zoals Pallaea falcata.
IJzersterk
is de ijzervaren (Cyrtomium falcatum) die zelfs lichte
vorst doorstaat. Zijn leerachtig blad beschermt hem tegen uitdroging.
Daardoor houdt de varen niet van warmte en krijgt hij een frisse plaats
toegewezen, zeker in de zomer.
Moeilijk verkrijgbaar, maar alleraardigst is het tot de verbeelding
sprekende apepootje (Davallia div spec.). Deze varen dankt
zijn naam aan de lange, kruipende en bruingeschubde of -behaarde
wortelstokken, die gemakkelijk uitlopen. Ze klitten dermate ineen dat ze
op de duur uit de pot gaan groeien. De plant kan behoorlijk goed tegen
droge lucht en houdt zich daardoor uitstekend staande in een warme
kamer.
Bronnen
:
Met dank aan de mensen van de VLAM
voor tekst en foto's
http://www.vlam.be
|