Planten snoeigroepen op wetenschappelijke benaming

INDEX
Snoeien C
Naam
Caesalpinia (paradijsvogelstruik)
Calamagrostis (struisriet, duinriet, pluimstruisriet)
Calamintha (steentijm, bergsteentijm)
Calla (slangewortel)
Calliandra (calliandra)
Callicarpa (callicarpa)
Callistemon (lampepoetser)
Callitriche (sterrenkroos, voorjaarssterrenkroos)
Calluna (struikheide)
Calocedrus (witte ceder)
Caltha (dotterbloem, gele, witte)
Calycanthus (specerijestruik, aardbeiboom, wijnruiker)
Camassia (indianenlelie)
Camellia (thee plant)
Campanula (klokjesbloem, klokje, Marietteklokje, kluwenklokje, Ster van Bethlehem, celtisbladklok, perzikbladklok, rapunzelklokje, grasklokje, ruig klokje)
Campsis (trompetbloem, trompetklimmer, bignonia)
Canarina (canarina)
Canna (bloemriet, indisch bloemriet)
Cannabis (hennep, gewone-, hennepzaad,marihuana)
Cantua (cantua)
Capsicum (peper, sierpeper, spaanse peper, paprika, cayennepeper, chilipeper)
Caragana (erwtenboompje)
Cardamine (veldkers, pinksterbloem, waterkers, kleine veldkers)
Cardaminopsis (cardaminopsis)
Carex (zegge)
Carica (carica)
Carissa (carissa)
Carlina (zilverdistel, driedistel)
Carpinus (haagbeuk, herlaar)
Carum (karwij)
Carya (bitternoot, hickory)
Caryopteris (blauwe spirea)
Cassia (cassia)
Cassinia (cassinia)
Cassiope (cassiope)
Castanea (kastanje, tamme kastanje)
Casuarina (Austalische pijnboom)
Catalpa (trompetboom)
Catananche (strobloem, blauwe strobloem)
Ceanothus (Amerikaanse herfstsering, sikkelbloem)
Cedrela (cedrela)
Cedrus (ceder, himalaya ceder, atlasceder, himalajaceder)
Ceiba (ceiba)
Celastrus (boomwurger)
Celtis (netelboom, zwepenboom)
Centaurea (korenbloem)
Centradenia (centradenia)
Centranthus (spoorbloem, rode valeriaan)
Cephalanthus (kogelbloem)
Cephalaria (cephalaria)
Cephalotaxus (knoptaxus)
Cerastium (hoornbloem)
Ceratonia (Johannesbroodboom)
Ceratopetalum (ceratopetalum)
Ceratophyllum (hoornblad, ongedoornd-, gedoornd-)
Ceratostigma (loodkruid, mannentrouw, loodplant)
Cercidiphyllum (katsoeraboom, Judasbladboom)
Cercis (judasboom)
Cestrum (cestrum)
Chaenomeles (japanse kwee, dwergkwee, sierkwee, schijnkwee)
Chaenorhinum (dwergleeuwentand)
Chamaebatiaria (chamaebatiaria)
Chamaecyparis (cipres, dwergcipres, schijncipres, hinoki cipres, californische cipres)
Chamaemelum (kamille, roomse-, echte-,)
Chamaerops (europese dwergpalm)
Chasmanthium (platarengras)
Cheiranthus (muurbloem, violier, lenteviolier, steenraket)
Chelone (schildpadbloem)
Chiastophyllum (chiastophyllum)
Chimonanthus (meloenboompje, winterbloem)
Chimonobambusa (bamboe)
Chionanthus (sneeuwvlokkenboom)
Choisya (choisya)
Chordospartium (chordospartium)
Chorisia (chorisia)
Chrysanthemum (chrysant, margriet, ganzebloem)
Chrysogonum (chrysogonum)
Chrysosplenium (goudveil, verspreidbladige goudveil, paarsbladig goudveil)
Chusquea (bamboe)
Cichorium (witloof, andijvie, chicorei, suikerbrood, groenlof)
Cimicifuga (zilverkaars)
Cineraria (askruid)
Cistus (zonneroosje)
Citrofortunella (sinaasappelboompje, kleinblijvend-)
Citrus (citrusplant, citroenplant, sinaasappelplant, sinaasappel, pompelmoes, mandarijn)
Cladastris (geelhout)
Clarkia (clarkia)
Claytonia (claytonia)
Clematis (clematis, bosrank, bosdruif)
Clerodendrum (kransenboom)
Clethra (schijnels)
Cleyera (cleyera)
Clianthus (clianthus,lobsters clow)
Clivia (clivia, edele clivia)
Clytostoma (clytostoma)
Cobaea (klokwinde)
Codiaeum (croton)
Codonopsis (codonopsis)
Colchicum (herfsttijlloos)
Coleonema (coleonema)
Coleus (siernetel)
Colletia (colletia)
Colquhounia (colquhounia)
Colutea (blazenstruik)
Comarum (wateraardbei)
Combretum (combretum)
Comptonia (comptonia)
Convallaria (meiklokje, lelietje-van-dalen)
Convolvulus (winde, dagschone)
Coprosma (coprosma)
Cordyline (cordyline)
Coreopsis (meisjesogen)
Coriandrum (koriander)
Coriaria (coriaria)
Cornus (kornoelje, knapkers, bonte kers)
Corokia (zigzagstruik)
Coronilla (kroonkruid)
Correa (correa)
Cortaderia (pampasgras)
Corydalis (helmbloem)
Corylopsis (schijnhazelaar)
Corylus (hazelaar, boshazelnoot, hazelnoot, bosnoot, lammertjesnoot)
Corynocarpus (corynocarpus)
Cosmea (cosmos, cosmea)
Cosmos (cosmea, cosmea)
Cotoneaster (dwergmispel)
Cotula (goudknopje)
Crambe (zeekool)
Crassula (waternaaldkruid, dikblad)
Crataegomespilus (crataegomespilus)
Crataegus (meidoorn, hanedoorn, tweestijlige meidoorn, gewone meidoorn)
Crinodendron (crinodendron)
Crossandra (rosientje)
Crowea (crowea)
Cryptomeria (japanse cipres, japanse ceder)
Cucumis (meloen, komkommer, pompoen, courgette, augurk, watermeloen, suikermeloen)
Cunninghamia (cunninghamia)
Cupressocyparis (leylandcipres)
Cupressus (cipres, kamerconifeer, kamercipres)
Cycas (varenpalm)
Cydonia (kwee)
Cynara (kardoen, kardons, artisjok)
Cynoglossum (hondstong)
Cyperus (parapluplant, cypergras, papyrus, Egyptische papyrus)
Cyphomandra (boomtomaat, tamarillo)
Cyrilla (cyrilla)
Cyrtomium (ijzervaren, hulstvaren)
Cytisus (brem)