Fruitbomen en fruitstruiken - algemeen.

Waarom gaan we fruit snoeien?  

- om een bepaalde boomvorm na te streven: boomvorm, spilvorm, struikvorm, haagvorm, vormsnoei ...

- om ieder jaar zo veel mogelijk vruchten van zo goed mogelijke kwaliteit te hebben van de fruitbomen en struiken 

- en dat over een zo groot mogelijk aantal jaren

Fruitbomen

* Enkele voorafgaande beschouwingen

- Boomvormen
- Waarom fruitbomen snoeien?
- Levenscyclus van een fruitbomen zonder snoei
- De natuurlijke processen
- Onderstammen 
- Snoeitechnieken 


Fruitstruiken

Bloesemschade door lentenachtvorst voorkomen

Manueel vruchtdunnen bij fruitbomen

Zomersnoei bij pitfruit en steenfruit

De snoeiregels van Koopmann 
- Vegetatieve groei

De snoeiregels van Vochting 

* De effecten van de snoei op de groei van de kroon van fruitbomen 

* De effecten van de snoei op de vruchtbaarheid van fruitbomen

Fruitbomen:

Enkele voorafgaande beschouwingen :

De hoogstam verdwijnt. Zulke bomen dragen laat, pas jaren na de aanplanting en de snoei en het plukken kost veel moeite.
De halfstam is een goed alternatief als je tussen de bomen nog andere teelten (groenten, aardbeien) wenst te telen.
De struikvorm draagt vlug, is gemakkelijker in onderhoud maar vraagt nog steeds relatief wat ruimte (4 x 2.5 tot 5 x 3m).

Spilvorm:

Voor kleine tuinen is de spilvorm of de leivorm de meest ideale fruitboom. Hij vraagt het minst ruimte en de bomen dragen reeds op erg jeugdige leeftijd. Bij het planten wordt direct een stevige boompaal voorzien. De groeivorm van de spil verschilt afhankelijk van het ras: 

  • Appels: de appel Goudrenete heeft een smalle groei, Cox 's Orange Peppin groeit meer breed uit. Dit heeft invloed op de vorm en de snoei van de spilvorm.
  • Peren: bij peren werkt een dichte aanplanting met wortelconcurrentie gunstig op de vruchtbaarheid.
  • Pruimen: algemeen wordt aangenomen dat snoeien bij pruimen geen invloed heeft op de vruchtbaarheid.
  • Kersen: altijd per twee aangeplant voor de bevruchting. Enkel de meikers is iet of wat zelf vruchtbaar.
  • Krieken: zijn zelfvruchtbaar, één exemplaar volstaat

Waarom fruitbomen snoeien?

Door het regelmatig snoeien van de fruitbomen en struiken kunnen we een regelmatige jaarlijkse productie stimuleren met vruchten van voldoende goede kwaliteit.

- bij oudere bomen nemen op een natuurlijke groeiwijze de productie af. Door snoeien kan de productie terug bevorderd worden

- bij jonge bomen kan de productiefase met vele jaren worden verlengd

Levenscyclus van een fruitbomen zonder snoei:

Elke fruitboom doorloopt deze natuurlijke ontwikkelingsfase:

De ontwikkeling van de boomvorm zonder bijsturing van snoei.

Verklaring van boven naar onder:

1. jeugdfase 
-> groei de boom draagt weinig vruchten

2. productietoename 
-> vruchtvorming neemt geleidelijk toe

3. productiefase 
-> een goede verhouding tussen de groei en de vruchtbaarheid, boom geeft nu de maximale productie

4. ouderdomsfase
-> de groei en de productie neemt af, de kans op beurtjaren neemt toe

5. afstervingsfase

 

 

De ontwikkeling van de vruchtvorming met bijsturing door snoei.

De natuurlijke processen:

Er moet steeds een evenwicht zijn tussen het ondergrondse gedeelte (de wortelomvang) van de fruitboom en het bovengrondse gedeelte, en dit om het evenwicht in de levensprocessen te behouden. In de loop van het groei-jaar vormen de fruitbomen bouwstoffen, ontstaan door fotosynthese en de eiwitsynthese.

Deze bouwstoffen worden:

+ gedeeltelijk verbruikt door de ademhaling om energie vrij te krijgen.
+ opgeslagen in reservestoffen, o.a. eiwitten, vetten, zetmeel.
+ gebruikt als bouwsteen om eiwitten, hormonen, enzymen, enz.. te maken.
+ vervoerd naar de wortels (reserve).

Het gehalte aan reservestoffen in de wortels bepaald het gehalte aan giberelinen en cytokinen die verantwoordelijk zijn voor de vruchtzetting (=uitgroeien van de vrucht). Het is van belang dat de fruitboom tijdens het groei-jaar, voldoende assimilaten (koolhydraten) kan vormen, om bloemaanleg te stimuleren voor het volgende bloei-jaar. Een fruitboom kan voldoende assimilaten vormen als hij voldoende aan bladgroenverrichting(fotosynthese) kan doen, dus als alle takken voldoende licht ontvangen.

Uit de reservestoffen in de takken ontstaan ook bloemknoppen. Ze ontstaan gemakkelijk bloemknoppen op horizontaal groeiende takken. De reservestoffen blijven in deze takken die dan gemakkelijk bloemknoppen vormen.

- Bloemknoppen ontstaan dus vooral op kortloten: minder groei = meer bloei
- Concurrentietwijgen benadelen de kopgroei.
- Verjongingssnoei bevordert de vruchtzetting.
- Men moet rekening houden met de variëteit. Er zijn rassen die gemakkelijk
bloemen aanleggen op 1-jarig hout, andere op 2-jarig hout.

Onderstammen

Fruitbomen worden geënt op een onderstam. De onderstam bepaalt de groei en vruchtproductie van de fruitboom. Koop altijd een fruitboom met een keurlabel N.A.K. -B met de vermelding van de onderstam, het geënte ras en de kwaliteitsaanduiding

Bekend is de appelonderstam M IX (M9), afkomstig uit het proefstation in East Malling (Zuid-Engeland), die de appelbomen een zwakke groei geeft en een vroege productie. Het appelras zelf bepaalt de verdere verschillende ontwikkelingen -> Goudrenet groeit harder op type M9 dan Cox 's Orange Pippin.

Peren worden vooral geënt op onderstammen van de kweepeer. Soms gebruikt men ook nog een tussenstam zoals bij Beurré Alexander Lucas en Bonne Louis d' Avranches.

Voor kersen is men nog op zoek naar zwakkere onderstammen, zij groeien nog steeds tamelijk sterk

Krieken (morel) kunnen groeien op eigen wortel. De bomen blijven klein.

Pruimen worden vaak geënt op de zwakgroeiende onderstam St. Julien A.

Snoeitechnieken

Voor een evenwichtige kroonopbouw worden té steil groeiende takken bijgestuurd. dit kan door de techniek van uitbuigen of horizontaal aanbinden. Zwakke scheuten die té horizontaal staan kunnen terug steiler opgebonden worden.

In plaats van het horizontaal aanbinden kan je ook gebruikt maken van haken. Ze kunnen alleen gebruikt worden bij twijgen die nog niet te sterk verhout zijn. Let op dat de twijgen niet beschadigd raken of gekneld zitten.

Fruitstruiken:

Fruitstruiken worden aangeduid met de benaming 'klein fruit'. Dit zijn heesterachtige planten met eetbare vruchten: witte, rode of zwarte bessen, kruisbessen, frambozen, bramen en druiven.

Zij worden dikwijls op een zeer specifieke wijze gesnoeid. Hun snoeiwijze kan je terugvinden via de wetenschappelijke op Nederlandstalige menu's.


Bloesemschade door lentenachtvorst voorkomen

Tijdens de bloei zijn diverse fruitsoorten heel gevoelig voor koude. Vroeg bloeiende fruitsoorten hebben meer kans op vorstschade dan laatbloeiende fruitsoorten.

Nadelige gevolgen van vorst tijdens de bloei:

Soms is er direct geen schade te zien, behalve op enkele plaatsen of op lager gelegen percelen. De schade is soms beperkt tot een bepaalde hoogte in de bomen.

De volgende schade is soms waarneembaar:

- verruwde vruchten: ganse vruchten, strepen van steel tot neus, ganse of gedeeltelijke vorstringen en kromme vruchten
- verminderde zetting en dus minder vruchten
- een kleiner aantal pitten of geen pitten die doorgroeien. Dit veroorzaakt meestal een grotere vruchtrui.

Hoe vorstschade voorkomen?

Keuze perceel en voorbereiding.
Goed ontwaterde grond zonder laagten (nat, koude-zakken). Met beschutting, vooral aan de noordoost-zijde.
Zorg dat de koude lucht op een hellend perceel weg kan stromen. Koude lucht is zwaarder dan warme lucht. In een boomgaard op een hellend terrein zal de koude lucht aldus naar het laagste punt stromen. Neem zo mogelijk obstakels (hagen, schutting, ...) weg, zodat de koude lucht weg kan stromen.
Voor peren, die meer gevoelig zijn dan appels, is een goede warme standplaats belangrijk voor de vruchtzetting. Een goede beschutting langs het noorden, het oosten en noordoosten om de koude lucht te werken is zeer gunstig.

Fruitsoortenkeuze

Steenfruit bloeit meestal vroeger dan pitfruit. Allereerst bloeien abrikozen, kersen en perziken. Schade door lentevorst zal hier sneller optreden dan bij appel en peer. 

Rassenkeuze

Vroegbloeiende rassen zijn gevoeliger voor vorst. Laatbloeiende rassen geven meestal een betere en regelmatigere productie.

Bepaalde appelrassen (o.a. 'Gloster') hebben een zekere weerstand tegen het bevriezen. De rassen Schone van Boskoop, Alkmene en Karmijn de Sonnaville zijn erg gevoelig voor nachtvorst. Triploide appelrassen (Schone van Boskoop, Jonagold, Mutsu, Karmijn de Sonnaville) zijn meestal veel gevoeliger voor lentenachtvorst.

Rasverschillen in nachtvorstgevoeligheid kunnen ook hun oorzaak vinden in het feit dat niet alle rassen op dezelfde datum bloeien. De bloeiperiode van sommige rassen is ook langer dan bij andere.

Grondbehandeling

Zorg dat de warmte overdag gemakkelijk de grond in kan. Maak de boomstroken vrij van oud blad, gras en onkruid. Hou de grasstroken kort gemaaid. Bewerk de bovengrond niet kort voor de bloei, doch bevochtig een droge boomspiegel, zo mogelijk de dag vooraf. Hierdoor verbeterd de warmte-opname door de grond. Zorg dat het fruitgewas voor de nacht weer droog is, anders is hier meer kans op vorstschade.

Tijdens de nacht kan de grond opnieuw warmte uitstralen. Dit kan een temperatuurverhoging van 1,5 tot 3 °C geven. Bij afgedekte grond of grond met lang gras is geen of bijna geen warmte-uitstraling mogelijk.

Ideaal is een zwarte, gesloten, vochtige en onkruidvrije grond onder de bomen en het kleinfruit. Hou de grasmat zeer kort in en rond de bloei.

Beregening

Bij de meeste fruitkwekers zal men over het fruitgewas beregenen in de periode dat er nachtvorst is tijdens de bloei. Meestal zal men bij een temperatuur van 0° C starten met de beregening. Bloesem, vruchtjes en plantendelen worden tijdens nachtvorst constant nat geregend. Het water bevriest (verliest warmte) en staat deze warmte af aan de omgeving.

Snoei

Het laatbloeiende, lange vruchthout kan in nachtvorstjaren nog een oogst(je) geven. In nachtvorstgevoelige percelen kan men bewust wat lang hout laten groeien. Als het nachtvorstgevaar geweken is kan men dit lang vruchthout alsnog wegsnoeien.

Bestuivers

Nachtvorst reduceert het aantal bloemen in meer of mindere mate. Een goede bestuiving van de overblijvende bloemen vergroot de kans op vruchtzetting. 

Voeding

Bomen geplant in een goed voedzame groeimidden blijven gezond, vormen sterke bloemknoppen en zijn beter tegen nachtvorst bestand. Een goede kaliumvoorziening in de grond is ook nuttig.
Een rijke oogst het voorgaande jaar geeft meestal zwakkere bloemknoppen het jaar nadien. In die omstandigheden zijn de bloemen veel meer gevoelig aan vorstschade en is een goede voeding voor en na de bloei gewenst.

Rechtstreekse lentevorstbestrijding kan gebeuren met:

- verwarming van de lucht met oliebranders.

- nachtvorstbestrijding door beregening

- nachtvorstbestrijding door een sterke luchtverplaatsing (windmachines)

Invloed van een aantal teeltmaatregelen

Aardbeien:  

Planten afgedekt met los stro zijn meer beschermd tegen nachtvorst. Beter is ze ineens ook afdekken met plastic. Aardbeiplanten die nog niet bloemen hoeven normaal niet beschermd te worden tegen de vorst.

Mulchen bij kleinfruit, pitfruit en steenfruit:

Aanbevolen is hiermee tot ruim na de bloei te wachten. Vanaf mei kan probleemloos gemulcht worden. Een te vroege bodembedekking met mulch hindert de warmte-opname en warmte-afgifte tijdens de bloei en kan zo meer vorstschade in de hand werken.

Grondbedekking met zwarte plastic:

Warmte uitstraling wordt hier eveneens verhinderd. De groei, bloei en oogst wordt  vervroegd, zodat hiermee ook meer kans op lentevorstschade is.

Plantenafdekking met plastic, groeidoek, ...

Zorg dat de plastic de bloemen niet raakt, anders is toch vorstschade mogelijk.

Snoeitijdstip

Vroeg snoeien kan een bloeivervroeging geven en mogelijk zo meer kans op nachtvorstschade. 

Hakken en schoffelen

Een losgemaakte bovenlaag van de grond heeft een isolerende werking, waardoor het nachtvorstgevaar erboven toeneemt.

Kasdruiven

Bij gevaar voor zware nachtvorst, nadat de druivelaars reeds zijn uitgelopen moet je de kas tijdig sluiten, zodat er nog voldoende warmte in de kas kan blijven. Normaal zal men overdag zoveel mogelijk luchten.


Manueel vruchtdunnen bij fruitbomen

Dunschaartje

Het uitdunnen is een jaarlijks terugkerend werk. Het is een noodzakelijk en tijdrovend werk. Pitfruit (appel, peer, kweepeer) en steenfruit (abrikoos, perzik, pruim) zouden jaarlijks gedund moeten worden. Zoete- en zure kersen (krieken) worden niet gedund. Houtig kleinfruit (bessen) worden meestal niet gedund. Een goede vruchthoutsnoei is hier de belangrijkste dunning. Bij druiven wordt het dunnen toegepast door per draagspoor slechts 1 trosdragende scheut te behouden en door te krenten (= de bessen van de trossen uitdunnen met een schaartje). Vruchtdunnen zal bij de meeste fruittelers meestal met scheikundige producten gebeuren. Een manuele correctie is veelal noodzakelijk.

Rond einde mei kan men met de snoeischaar een extra vruchthoutsnoei toepassen. Dit gaat meestal zeer snel.

jan. feb. mrt. apr. mei juni juli aug. sept. okt. nov. dec.
                       

Waarom vruchtdunning toepassen?

- minder kans op beurtjaren (o.a. bij appel 'Schone van Boskoop'), zeer vroeg dunnen is hiervoor noodzakelijk

- grotere en gezondere vruchten die vroeger kunnen rijpen

- gemakkelijkere plukken 

- minder uitval t.g.v. schimmels en insecten. Verwijderde, aangetaste vruchten kunnen de overige gezonde vruchten niet meer infecteren. Tijdens het dunnen kan men beschimmelde vruchten (mummies) verwijderen, zodat uitbreiding vermeden wordt. Monilia-vruchtrot bij pruimen is hiermee te beperken

- minder kans op takbreuk. Bij niet tijdig gedunde bomen kunnen verschillende takken breken t.g.v. het overtollige gewicht. Steil groeiende takken breken gemakkelijk bij pruimenbomen
 
- de groei van de boom verbetert, zodat de vruchten beter kunnen uitgroeien en de smaakkwaliteit stijgt

- hoger gewicht en suikergehalte van de vruchten

Bij de zomersnoei (en wintersnoei) is het belangrijk van een goed evenwicht te bekomen tussen groei en vruchtzetting. De scheutlengte op 1 groeiseizoen zou toch minimaal 20 cm mogen zijn. Indien nodig in het voorjaar bijmesten met organische of samengestelde scheikundige meststoffen.

Hoeveel vruchten behouden? 

Op een laagstam volwassen appelboom of perenboom laat men meestal niet meer dan 110 vruchten staan. Veel meer vruchten behouden per boom kan leiden tot een beurtjaar.

Bij een goede vruchtdunning tracht men een evenwicht te krijgen tussen de aanwezige bladeren en de vruchten. Per 20 cm vruchttwijg mogen er ongeveer 2  vruchten blijven staan. Men rekent soms ook op ongeveer 25 gezonde bladeren per vrucht. Men houdt steeds rekening met het ras. 

Men tracht de trossen zoveel mogelijk op twee of op één te zetten, 1 of 2 vruchten per tros behouden. Indien de trossen te dicht bij elkaar staan, zet men de trossen per één ofwel verwijderd men enkele trossen.

Perzikvruchten zouden zodanig gedund moeten worden, dat de overblijvende vruchten 15 - 20 cm van elkaar staan.  Pruimen kunnen gedund worden tot ze ongeveer 10 cm van elkaar staan. Peren en appels worden soms gedund tot ze ongeveer 15 cm van elkaar staan.

Werkwijze bij het dunnen

Mogelijkheden: 

- uitdunnen van bloemknoppen
- uitdunnen of uitnijpen van openstaande bloemen
- inknippen van vruchthout op één of enkele bloemknoppen
- het manueel verwijderen van afgespeende vruchtjes met de schaar of met de vingers

Manueel vruchten verwijderen:

Vruchten die onder de takken hangen en weinig zonlicht krijgen, zal men zoveel mogelijk verwijderen. Ze krijgen minder licht en smaken minder lekker.

Bij het dunnen houdt men ook rekening met de dikte en stevigheid van de vruchttak, vruchttwijg. Op dunne, hangende vruchttwijgen (druiphout) zal men minder vruchten behouden dan op dikkere vruchttakken.

Vruchttakken die door het gewicht tegen de grond gaan hangen, kan men doorknippen met de snoeischaar of kan men met een touw omhoog binden. Bij het opbinden van takken let men op dat de knopen niet kunnen insnoeren. Men kan best grote lussen gebruiken aan de takken.

Men kan de meeste rassen (langstelige rassen) met de vingers dunnen. Men tracht steeds de vruchtsteel te behouden aan de takken (vruchten afpitsen). Hiermee voorkomt men dat de overblijvende vrucht gekwetst wordt aan de vruchtsteel, zodat deze later ook zou afvallen. Anders is er tevens een kans op een groeistilstand.

Bij kortstelige rassen kan men beter dunnen met een dunschaartje of met een lichte snoeischaar.

In de meeste gevallen en zeker bij de kleinvruchtige rassen ( bij appel 'Elstar', 'Cox's Orange Peppin') zal men de kleinste vruchten verwijderen, zodat ze goed kunnen uitgroeien. 

Bij grootvruchtige rassen, o.a. bij appelras  'Jonagold', die soms te dik worden, kan men de dikste vruchten en de kleinste vruchten verwijderen. Zo heeft men meer kans op vruchten van een middelmatige grootte. Te dikke vruchten zijn gevoeliger voor kurkstip en kunnen sneller vettig worden.

Steil groeiende takken kan men nu nog wegzagen. Dit kan men vooral doen als de boom zwaar beladen is. Laat steeds een kleine stomp (gerichte voet) staan en zorg dat de schors niet kan afscheuren bij het wegzagen van takken.
Een nieuwe trend is de steil groeiende, onbruikbare twijgen uit te scheuren. Er is dan geen kans dat de onderliggende ogen nog uitlopen.

Tijdens het dunnen kan men ook sterkgroeiende rugscheuten wegbreken. Indien deze scheuten niet verhout zijn, kan men ze volledig wegnemen. De gemaakte wonden genezen snel in de zomerperiode. Rugscheuten zijn meestal minder productief en belemmeren de gezonde groei van de overige twijgen.

Scheuttoppen bij appel, welke aangetast zijn door meeldauw kan men ook uitbreken en/of wegknippen en verwijderen. Zo voorkomt men deels een verdere uitbreiding van deze schimmelziekte. Bepaalde appelrassen zijn erg vatbaar voor meeldauw (witziekte).

Grondscheuten (opslag van de onderstam) zal men tevens zo laag mogelijk wegnemen. Uittrekken of uitsteken. Wortels niet teveel beschadigen, of er komen nog meer grondscheuten.

Tijdstip voor het vruchtdunnen?

Het vruchtdunnen kan men best zo vroeg mogelijk toepassen. Meestal wacht men tot de natuurlijke vruchtrui (junirui) afgelopen is. 

Vroeg dunnen heeft de voorkeur, omdat men dan sterkere bloemknoppen krijgt voor het volgende jaar.
Bij te vroeg dunnen (einde mei - begin juni) kan er later nog een natuurlijke vruchtval volgen, zodat men bij de oogst minder vruchten bekomt dan voorzien.

Een vroege dunning gaat meestal minder snel vooruit, omdat het dan moeilijk te bepalen is welke vruchttrossen moeten verwijderd worden.

Perenbomen die aangetast zijn door bacterievuur, zal men bij droog weer dunnen. De verspreidingskans van de bacteriën is dan veel kleiner.

Volgorde van dunnen

- pruim en perzik (abrikoos)
- peren
- appel, eerst de zomerrassen, dan de herfstrassen en later de winterrassen

Late vruchtval

Sommige fruitsoorten, fruitrassen kunnen zonder tussenkomst alle vruchten laten vallen. Dit wordt meestal veroorzaakt door onvoldoende of geen bestuiving door een ander ras. Een ander gelijkbloeiend ras in de omgeving planten is meestal de oplossing. Tijdens de bloei is droog en warm weer gunstig voor een goede vruchtzetting.

Dunschaartje

 


Zomersnoei bij pitfruit en steenfruit

Zomersnoei wordt tijdens de zomermaanden uitgevoerd, bij droog weer. De algemene gezondheid van de fruitboom zal hierdoor verbeteren. Men kan fouten van de wintersnoei corrigeren en de wintersnoei wordt eenvoudiger. Verwijder alle onderstamscheuten en de meeste rugscheuten. De gemaakte wonden genezen snel. Het is vooral nuttig bij appel en peer. Scheuten aangetast door meeldauw, schurft zal je verwijderen. Wondbehandeling is meestal overbodig.

Tijdstip

Zomersnoei kan toegepast worden vanaf begin juni tot einde augustus. Dit werk kan in meerdere keren toegepast worden. Bijvoorkeur zal men deze zomersnoei toepassen bij droog weer. Sneller opdrogen en genezen van de wonden.

Bij perenbomen raad men soms aan deze zomersnoei rond half juni toe te passen. Bij appelbomen zou de periode half juli - einde juli het meeste geschikt zijn. Bij sterke hergroei en lage productie kan men dit werk rond begin, half augustus herhalen.

Zure kersen-, krieken-, pruimen-, perzik- en abrikozenbomen kan men snoeien tijdens de maand augustus. Uiterlijk tot begin september.

Het snoeien van zomerloten.

Wanneer een sterke snoei ingreep werd uitgevoerd, vooral als er zwaardere takken worden weggesnoeid, zal de fruitboom talrijke waterloten ontwikkelen.

Waterloten zijn sterk groeiende verticale scheuten die nauwelijks of geen vruchten voortbrengen. Ze moeten, op een paar twijgjes na, weggesnoeid worden. 

Voordelen van zomersnoei

- Zomersnoei kan een correctie zijn van de wintersnoei. Mogelijke foutieve ingrepen van de wintersnoei kunnen weggewerkt worden. Door een prikkelende wintersnoei kunnen er talrijke jonge, onbruikbare  rugscheuten ontstaan. 

- Een goede zomersnoei kan de wintersnoei eenvoudiger en overzichtelijker maken. Alle boomonderdelen zijn in de winter beter te zien.

- Zomersnoei is een goed middel om de sterke vegetatieve groei af te remmen. Bij een beurtjaar (= een jaar met weinig of geen vruchten) kan de groei zeer sterk zijn. Door een groot deel van de scheuten (en bladeren) weg te nemen, kan de groei afgeremd worden. De meeste fruitrassen, fruitsoorten geven vruchten op kort of middelmatig lang vruchthout.

- Door reeds tijdens de zomer een deel van de onbruikbare scheuten weg te nemen, zal de belichting van de overblijvende scheuten verbeteren, zodat deze meer kans op vruchtzetting geven het volgende jaar. 

- Door de betere belichting tot in de boom, is er minder kans op uitbreiding van schimmels en plagen. Een mogelijk beginnende aantasting van schimmels (o.a. meeldauw, witziekte, schurft, ...) kan meteen ook verwijderd worden. Een betere belichting geeft bij gekleurde appelrassen ook een betere kleuring en smaak. 

- De gemaakte wonden genezen tijdens de zomer sneller en beter dan in de winterperiode. Steenfruit mag men enkel snoeien tussen half april en half september. 

- Zomersnoei geeft een meer compactere en mooiere groeivorm.

Hulpmiddelen

- Snoeischaar 
- Handen

Bij welke fruitsoorten? 

Men kan deze zomersnoei toepassen bij steenfruit (pruim, perzik, abrikoos, kersen, ..) en bij pitfruit (appel, peer).
Bij druiven, frambozen, zwarte bessen en rode bessen wordt een aangepaste zomersnoei toegepast. De werkwijze hieronder is NIET bruikbaar voor deze houtige kleinfruitsoorten.

Werkwijze 

Verwijder alle scheuten en twijgen van de onderstam. Deze opslag kan vanuit de wortels en ook juist onder de entplaats groeien. Tracht deze zo diep mogelijk te verwijderen door ze uit te trekken of door ze nauwkeurig weg te knippen met een snoeischaar.

Verwijder zoveel mogelijk scheuten die op de rug (bovenkant) van de gesteltakken en vruchttakken groeien. 
Meestal kan je deze kruidachtige scheuten makkelijk wegbreken met de handen (zonder snoeischaar). Door ze met de handen weg te breken komen ze ook niet zo snel terug.

Zijhout welke te lang uitgroeit en welke geen vruchten draagt kan men ook terugsnoeien tot op een zwakkere, omlaag groeiende scheut. 

Sterkgroeiende scheuten die men wil behouden kan men inknippen, innijpen om een groeiremming te krijgen en om hetzelfde groeiseizoen korte vruchtscheuten te krijgen. Dit innijpen kan men toepassen einde juni en een laatste maal einde juli.

Bij de gemaakte zaagwonden (wintersnoei) kunnen meerdere scheuten ontstaan. Laat 1 horizontaal groeiende scheut staan en breek de overige scheuten weg.

Bij voorjaarsentingen en bij het omenten (kroongriffel, stekelvarkensenting) ontstaan er talrijke wilde scheuten van het oude ras, onderstam. Deze zal men geleidelijk aan in meerdere keren verwijderen. 

Nazorgen

Scheuten aangetast door schimmels zal men niet laten liggen onder de bomen. Er kan een herïnfectie gebeuren vanuit dit snoeihout.

Kruidachtige gezonde scheuten hoeven niet opgeruimd te worden en mogen onder de boom blijven liggen. Je mag deze ook in een composthoop verwerken.

Wondbehandeling is meestal overbodig. De gemaakte wonden genezen snel en goed.

De overblijvende opzij groeiende scheuten en twijgen kunnen eventueel horizontaal uitgebogen worden. Dit kan gebeuren d.m.v. gewichtjes of  touw. Horizontaal groeiend vruchthout zal meestal beter bloemknoppen, gemengde knoppen dragen. Het volgende seizoen is er meer kans op een goede oogst. 


De snoeiregels van Koopmann

Deze regels beschrijven de reacties van een twijg op de mate van het inknippen.

- Hoe meer de twijg wordt ingekort, hoe krachtiger de nieuwe scheut is die de tak voortzet. Dit gaat echter niet meer op wanneer een twijg zover wordt ingesnoeid dat de nieuwe verlengenis moet ontstaan uit slapende knoppen aan de twijgbasis.

- De totale lengte van de tak + verlengenis blijft na niet of licht insnoeien vrij constant, evenwel bij diep inknippen wordt de totale lengte kleiner. Sterke snoei verzwakt dus.

- De totale scheutgroei met inbegrip van de zijscheuten blijft vrij constant zolang niet meer dan 60 % van de twijg wordt verwijderd. Wordt meer weggesnoeid dan wordt de totale groei minder (niet altijd).

- De toename in twijgdikte, evenals het aantal bladeren, volgt ongeveer dezelfde lijn als de totale scheutgroei.

- Bij appel neemt bij het insnoeien tot op 20 tot 30 % van de lengte de gemiddelde bladgrootte toe met de mate van de snoei.

- Per knop neemt de scheutlengte toe naarmate verder wordt ingesnoeid.

- Het aantal langloten, maar vooral het aantal kortloten, neemt af naarmate verder wordt ingesnoeid!

- Het aantal knoppen dat niet uitloopt neemt af naarmate verder wordt ingesnoeid. Bij kers geldt dit echter niet. Hier blijven bij sterk inkorten juist meer knoppen in rust.

- Bij éénjarige bomen geldt dat het boven- en ondergrondse gewicht pas duidelijk afneemt als sterk wordt ingesnoeid. Niet ingeknipte bomen bezitten verreweg het grootste aantal fijne wortels.

Vegetatieve groei

Vegetatieve groei is de ontwikkeling van scheuten, twijgen, takken en bladeren.

In de gearceerde delen van de tak ontwikkelen zich jonge scheuten. Hoe meer opgaand een tak groeit hoe sterker hij zich vegetatief ontwikkeld, en hoe minder vruchthout er zal gevormd worden. Hoe horizontaler de takken zijn ingeplant, hoe meer de groei wordt afgeremd en de kans op vruchtbaarheid toe neemt.

Steile tak: bij een té opgaande groei vormt zich onderaan de takken slecht een beperkt aantal bloemknoppen.

Gebogen tak: bij een meer gebogen takstand is er vooral meer groei in de bocht, maat er is ook bloemknopvorming.

Vlakke tak: bij de meer vlak staande takken groeien er nog wel enkele scheuten op de rugzijde van de tak, maar in hoofdzaak worden er bloemknoppen gevormd.

De snoeiregels van Vochting:

Het snoeien van een twijg kan ook invloed op naburige twijgen hebben. Zo groeit de verlengenis van een harttak na insnoeien, wanneer eventueel aanwezige concurrenten niet gesnoeid worden, minder sterk dan wanneer die concurrenten gesnoeid worden.
De groei van de zijtwijgen is het sterkst wanneer de harttak verlengenis gesnoeid is.Mogelijk wordt na inkorten van een bepaalde twijg de invoer van groeibevorderende stoffen in een naburige twijg verhoogd. De groeireaktie van een twijg na insnoeien is dus afhankelijk van de mate van de snoei van de twijg zelf maar ook van die van naburige twijgen. Verder blijkt de groei van twijgen afhankelijk van de plaats in de boom en de stand in de ruimte.

Groeiregels van Vochting:

- Wanneer 2 even lange en even dikke zijtwijgen op dezelfde hoogte op een verticale tak staan ingeplant en daarmee een gelijke hoek maken, vertonen ze een gelijke groei.

- Is de inplantingshoek verschillend dan groeit de steilste het sterkst.

- Staan dergelijke zijtwijgen onder eenzelfde hoek op verschillende hoogte op de verticale tak, dan groeit de hoogst ingeplante het sterkst.

- Bevinden zich 2 twijgen van dezelfde lengte, dikte en richting op verschillende afstand van de stam op zijtakken, dan groeit de twijg het dichtste bij de stam het sterkst.

- Buigt men een tak dan is een zijtwijg aan de onderzijde van de tak zwakker in groei dan een vergelijkbare aan de bovenzijde.

Besluiten:

Van deze regels kan men de relatieve groeikracht van twijgen afleiden, en bijgevolg de kans op aanleg van bloembotten voor het volgend groeijaar:

- Sterke groei ----> weinig bloemaanleg
- Zwakke groei ----> meer bloemaanleg
- Overtollige vruchtdracht ----> weinig bloem voor het volgend jaar.

We moeten trachten van een evenwicht te bereiken tussen groei en bloei in de loop der teeltjaren.


De effecten van de snoei op de groei van de kroon van fruitbomen 

Afbeelding boven:

Deze fruitbomen hebben een té steile stand van hun takken. De groei vindt dan ook slechts in een gedeelte van de kroon plaats waardoor de boom teveel ijl omhoog groeit.

Afbeelding onder:

Door snoeien werd de opbouw van de kroon bijgestuurd. De groei heeft nu plaats in de gehele boom. De kroon ontwikkeld zich veel beter en de boom wordt minder hoog.

De effecten van de snoei op de vruchtbaarheid van fruitbomen

Afbeelding boven:

Bij de bomen met de té steile takken heeft de vruchtvorming slechts plaats in een klein gedeelte van de kroon. De vruchten groeien voornamelijk bovenaan aan de boom.

Afbeelding onder:

Bij de gesnoeide en bijgestuurde boom worden er in een vroeger stadium reeds vruchten gevormd. de vruchten zijn ook beter verdeeld over de kroon. Gedurende de verdere evolutie van de boom blijft de vruchtvorming in de gehele kroon plaatsvinden. Hierdoor zal de opbrengst hoger liggen.

Literatuur:

Schnitt der Obstgehölze - F.Hilkenbäumer
1978 Neumann Verlag, Leipzig
Goed snoeien van fruitbomen en -struiken
Vertaling Julia Voskuil, Annemieke Mullenders
Tekeningen Hans Preusse
ISBN 90 21003392
Nederlandse Uitgave 1997 door Zomer & Keuning Boeken bv.


Guy De Kinder
www.houtwal.be (tuinlinks en fruitinformatie)
www.geocities.com/blauwbessen/ (blauwbessensite)
www.tuinkrant.com/tkarchief/guy.html (overzicht artikelen)


Voor meer plantengegevens zie de TK plantengids

Meer gegevens opzoeken over deze plant(en) kan in de TK plantengids