Heesters

heester, sierheester, sierstruik

Sierstuiken of heesters die weinig nieuwe scheuten geven 
Groenblijvende heesters 
De sierheesters die aan het eind van de zomer aan het einde der twijgen bloeien 
Bloeiende sierheesters die groeien door verlenging van de bestaande twijgen 

Sierstuiken of heesters die weinig nieuwe scheuten geven, hebben de neiging om met hun hoofdtak door te groeien tot een boomvorm.

Bij deze heesters beperkt zich het snoeien tot het weghalen van het aanwezige dode hout, het wegnemen van verkeerd geplaatste takken en het verwijderen van wilde scheuten. Beschadigde of afgeknapte takken snoei je weg tot op een zijtak eronder (als die aanwezig is): 

Amelanchier, Aralia elata, Chionanthus, Cornus mas, Cotoneaster soorten, Euonymus, Hamamelis, Magnolia, Prunus cerasifera, 
Rhus glabra.

Groenblijvende heesters hebben door hun groeiwijze geen snoei nodig om tot een goede ontwikkeling te komen. De planten kunnen echter wel te groot uitgroeien of kunnen onderaan kaal worden en dan wordt verjongingssnoei toegepast.

1) Te groot uitgegroeide groenblijvende planten. De snoei bestaat erin dat men de takken terugneemt tot op een onder zittende zijtak zodat de vorm van de stuik behouden blijft: 

laurierkers, Hulst en Ligustrum zijn daar goede voorbeelden van. 

2) Bij onderaan kaal geworden groenblijvende planten door bijv. te dichte aanplant als bij 

Aucuba, Eleaegnus, Ligustrum, Mahonia aquifolium, Prunus laurocerasus en Rhododendron ponticum, 

gaat men de verjongingssnoei toepassen. De snoei bestaat eruit dat je de takken gaat terugsnoeien. Bij een sterke verjongingssnoei neem je de takken tot 30-40 cm boven de grond weg, dit doe je best kort voor het uitlopen van de planten (april). Na zo'n verjongingssnoei ontwikkelen zich een hele boel nieuwe scheuten. Het kan nodig zijn dan weer wat uit te dunnnen. Handhaaf hierbij de takken die de plant er natuurlijk doen uitzien. Uitdunnen doe je ok op een manier dat er voldoende licht en lucht in de struik kan. Is je struik zo zwak uitgelopen, of ziet ie er helemaal onnatuurlijk uit, dan de beste scheuten uitkiezen en ze inkorten tot op een naar buitenstaand oog. 

De sierheesters die aan het eind van de zomer aan het einde der twijgen bloeien. Deze twijgen zijn in hetzelfde groeijaar ontstaan (eenjarige scheuten). 

Deze categorie in het voorjaar sterk terugsnoeien. Doe je dat niet dan zal de grootte en het aantal bloemen afnemen. Een goed voorbeeld is de vlinderstruik (Buddleia davidii). Die kun je het beste terugknippen in het voorjaar. Als je het in het najaar doet kan de vlinderstruik invriezen. Dus in het voorjaar terug knippen tot op kniehoogte, daarna groeit en bloeit de plant weer op 1 jarig. Andere voorbeelden zijn 

Caryopteris, Ceanothus, Hedysarum, Hydrangea paniculata, Hypericum-soorten, Indigofera, Lespedeza, Leycesteria, Perovskia, Spiraea bumalda en japonica. 

Bloeiende sierheesters die groeien door verlenging van de bestaande twijgen. 

De bloemen worden gevormd in de oksels van de bladeren van de te nieuw te vormen scheuten. Bij deze struiken snoeit men enkel de oudere takken sterk in of dunt men ze sterk uit om tot verjonging van de struik te komen: Colutea, Hibiscus syriacus soorten.

Heesters die aan de voet van de plant (en ook hogerop de twijgen) nieuwe twijgen vormen en daarom zeer goed geschikt zijn om de oudere en uitgebloeide takken te vervangen (verjongingssnoei). 

Je struik gaat langer mee en wordt minder houterig en warrig. Vooral struiken die je om de bloemen hebt uitverkoren dient men op tijd te verjongen. Door de heester te verjongen kunnen de planten ieder jaar een rijke bloei geven. Ze zullen volop nieuwe scheuten produceren. Snoei deze heesters hoofdzakelijk na de bloei. Je begint ermee vanaf het derde jaar, om zo dus een jonge plant te behouden kan je gemakkelijkheidhalve jaarlijks 1/3 van de takken wegnemen: 

Deutzia soorten, Exochorda, Forsythia, Holodiscus, Kerria japonica, Kolkwitzia, Neillia, Neviusia, Philadelphus, Physocarpus, Ribes, Spiraea (vooral de voorjaarbloeiers), Stephanandra, Weigelia.

Heesters die gekweekt worden vooral zowel de mooie bloemen als de vruchten. 

Deze sierheesters worden in de winter gesnoeid. Alleen het overtollige hout verwijderen en verkeerd staande takken eruit snoeien. Je zou dit ook vormsnoei kunnen noemen. De snoei bestaat  voornamelijk uit uitdunnen. Wanneer bijv. Berberis en Symphoricarpos jaren lang niet zijn gesnoeid, kunnen ze nog altijd sterk teruggesnoeid worden. Ze vormen dan opnieuw een mooie, verjongde heester. De Malus (sierappel) groeit uit tot een soort boomvorm, deze dus beslist niet terugsnoeien. 

Goede voorbeelden zijn 

Berberis wilsonae, Calicarpa, Chaenomeles, Daphne, Malus, Cotoneaster, Ilex verticillata en Symphoricarpos.

Sierbladheesters, dit zijn heesters met bonte, grijzige en rode bladeren.

Deze worden in de winter gesnoeid. Dit geldt natuurlijk ook voor de heesters met verkleurd hout. Voornamelijk wordt de verjongingssnoei toegepast, dus enkele oudere takken terugnemen of vervangen door een jonge tak. Het snoeien van de sierbladheesters geeft de plant een intensere bladkleur. Heesters met verkleurd hout krijgen door deze verjongingssnoei nieuwe twijgen die feller van kleur zijn. Wilde scheuten van bontkleurige planten (bijv. groene takken bij Acer negundo) worden volledig verwijderd. 

Planten voorbeelden zijn: 

Acer negundo, Corylus maxima 'Purpurea', de bontbladige soorten van Cornus alba, Cornus stolonifera 'Flaviramea', Cornus alba 'Kesselringii', Cornus alba 'Sibirica', Populus alba en Sambucus racemosa 'Plumosa Aurea'.

Wat dient er zoal gesnoeid te worden ?

1. Kruisende takken: kruisstaande takken leiden tot een overvolle plant. Er dient echter voldoende licht en lucht tot in het hart van de plant te kunnen.
Kruisstaande takken altijd verwijderen. Sommige veroorzaken ook schuurwonden.

2. Hout dat ziek is of afgestorven neem je weg tot op de gezonde delen. Zo kan je vermijden dat de ziekte zich verder uitbreid. Zieke takken niet met je compost mengen en zo snel mogelijk opruimen (eigenlijk liefst verbranden, maar dat mag dan eigenlijk weer niet).

3. Groene scheuten bij bonte variŽteiten worden teruglopers genoemd, Dit probleem komt veelvuldig voor. Snoei ze zo diep mogelijk weg, liefst tot op een bont gekleurde tak.

4. Jonge loten, zijn sterk opgaande jonge, rechte takken die meestal ontstaan rond de plek waar men voorheen sterk snoeide. Snoei ze altijd netjes tot tegen de basis weg.

5. Wilde scheuten, zoals bij rozen en seringen, komen voor bij planten die zijn geŽnt, ze worden ook wel wortelopslag genoemd. Verwijder ze en snoei ze zo diep mogelijk terug, indien mogelijk zelfs tot onder het aardoppervlak.

6. Afgeknapte takken door stormschade verwijder je tot op het gezonde hout. Kijk daarbij vooral uit naar de natuurlijke vormgeving van je boom. Hoe ziet ie er uit na het verwijderen van de gebroken takken. Soms kan het beter zijn de gehele plant in te snoeien.

7. Planten met vorstschade, hebben meestal bruinkleurige toppen of bruine twijgen. Verwijder ze en snoei terug tot op het gezonde hout.

Voor meer plantengegevens zie de TK plantengids

Meer gegevens opzoeken over deze plant(en) kan in de TK plantengids