Vaste Planten

Algemeen snoeirichtlijnen:

Wintergroen:

Wintergroene vaste planten worden vaak gesnoeid na de bloei of in het voorjaar (maart-april). Soms is vorstschade aan het loof mogelijk. Behoeft de nodige aandacht daarvoor in strengere winters. Je kan ze gemakkelijk beschermen tegen gure noordoostenwinden met een beschermend doek of dennentakken. 

Afstervende vaste planten:

De vaste planten waarvan de bovengrondse delen tijdens de herfstperiode afsterven, en dus kaal de winter ingaan behoeven normaal geen snoei. Meestal laat de afgestorven plantendelen van de vaste planten tot het voorjaar op hun plaats. Ze vormen een natuurlijk winterbescherming en het is nog mooi ook (dauwdruppels, rijm). Tenzij je met voldoende kennis van zaken de verschillende vorstgevoeligheid van je vaste planten kent. Of verwijder opeengestapelde pakken afgestorven loof die gaan schimmelen. 

Sommigen tuiniers houden liever van een nette wintertuin, waar alles mooi is opgeruimd. Zij letten erop de planten te beschermen met alternatieven als turf, bladgrond, compost e.a. materialen. De planten mogen niet te bloot de winter ingaan. Bodembedekkers bedolven onder de bladeren maken we best vrij.

Vorst:

Er is dus een goede reden om vorstgevoelige vaste planten, die tijdens de herfstperiode afsterven, wel voor de winter te snoeien (opsmukken). Meestal is de wortelstok vrij vorstgevoelig (Anemone). Knip de uitgebloeide bloemstengels weg zodanig dat je makkelijk een bladerdek of mulchlaag kan aanbrengen. 

Tweede nabloei:

Sommige vaste planten kan je forceren tot een tweede bloei. Snoei ze begin juni flink terug. In aanmerking komen o.a. ridderspoor, kattekruid en margriet.

Ziekten:

Sommige vaste planten zoals de herfstasters en sommige geraniums zijn vrij gevoelig voor ziekten en schimmels als meeldauw. Zulke planten zo min mogelijk snoeien zodat er minder sappige, zachte scheuten ontstaan en de ziekte minder kansen krijgt.

Bodembedekkers:

Bodembedekkende vaste planten zoals Ajuga, Hedera en Pachysandra worden nauwelijks gesnoeid. Meestal beperkt de snoei zich tot het verwijderen van te ver uitdeinde scheuten en wortels. De uitlopers kunnen te lang uitgroeien. Knip ze eventueel op de gewenste lengte terug als ze te ver uitbreiden. 

Andere bodembedekkende planten zoals Alchemilla en Geranium worden regelmatig gesnoeid om de planten te verjongen.Te oud geworden planten vormen geen of te weinig nieuwe, jonge scheuten. Zulke planten worden beter vervangen.

Na een tijd kunnen de bodembedekkers (te) hoog uitgroeien. Daarom regelmatig bijknippen om de planten lager en gelijk te houden. Te oud geworden en rommelige planten kunnen eens teruggesnoeid worden tot 15-20 cm boven de grond. Soms komen na een tijd kale plekken tussen de bodembedekking (droogte, vorst, bladziekten). Snoei alle planten terug tot 15-20 cm boven de grond. Vul de zichtbare open plekken op met nieuwe planten (scheuten). Goed bemesten!

Oudere planten:

Vaste planten als Iris en Astilbe worden na een periode (3-5 jaar) gedeeld. De oude delen worden verwijderd. De jongere plantendelen opnieuw herplant.Te oud geworden planten vormen geen of te weinig nieuwe gezonde plantendelen. Zulke planten worden beter vervangen.

Uitzaaiing:

Sommige vaste planten gaan zich gemakkelijk gaan uitzaaien in de border. Dat is niet altijd gewenst. Bij die soorten knippen we de uitgebloeide stengels tijdig terug.

* Kruiden worden bijvoorbeeld gesnoeid om verse jonge bladeren te oogsten

* Siergrassen worden soms tot de vaste plantengroep gerekend: zie onder het snoeien van siergrassen

Deze snoeigids omvat snoeigegevens per vaste plant en geslacht. Je kan terecht in de tabel met Latijnse of Nederlandse plantennamen.

Voor meer plantengegevens zie de TK plantengids

Meer gegevens opzoeken over deze plant(en) kan in de TK plantengids