Bijzondere heesters voor de tuin: Abelia een zeer ondergewaardeerde heester

Bijzondere heesters voor de tuin: Abelia een zeer ondergewaardeerde heester(100244043) Een zeer ondergewaardeerde heester is die van het geslacht Abelia. Dat de meeste soorten niet voldoende winterhard zouden zijn is betrekkelijk. Toegegeven, ze vereisen een beschutte standplaats, liefst in de (volle)zon, maar de meeste winters overleven ze wel al sterven ze soms tot aan de grond af.


De op kleine schaal gekweekte soort Abelia mosanensis is zelfs zeer winterhard. Deze uit N. Korea afkomstige soort staat al aantal jaren in de Botanische Tuin van Salapils in Letland en vriest niet of nauwelijks in. Er is veel verwarring over de juiste naamgeving. Hoewel het in Nederland gekweekte sortiment niet groot is, kun je één plant onder verschillende namen vinden.

Een reden om de verkrijgbare soorten en cultivars eens op een rijtje te zetten:

Abelia, inclusief het door de Japanse botanist Hara afgesplitste deel die hij in het geslacht Zabelia plaatste, behoort tot de familie Caprifoliaceae, (kamperfoelie achtigen) en is nauw verwant aan Dipelta, Kolkwitzia en Linnaea. Volgens sommige opvattingen vormen deze vier geslachten de familie der Linaeaceae.
Het geslacht telt ongeveer 23 soorten, de meeste geconcentreerd in Noord-oost Azië en drie soorten in Mexico. Het geslacht is vernoemd naar Dr. Clarke Abel (1780-1826), die de soort Abelia chinensis ontdekte tijdens zijn reis door China toen hij als arts verbonden was aan het gezantschap van Lord Amherst.

Morfologie

Bijzondere heesters voor de tuin: Abelia een zeer ondergewaardeerde heester(100244043) Abelia ´s zijn zomer- of wintergroene, kleine of middelgrote, dichtvertakte heesters. Bladeren tegenoverstaand, soms in kransen van drie of vier op niet bloeiende twijgen, gaafrandig of getand en kortgesteeld. Bloemen in okselstandige schermen met 1-8 bloemen of eindstandig en veel bloemig, zittend of zeer kort gesteeld. De bloemkroon is klok of trechtervormig met een rechte of gebogen buis, deze vaak tweelippig, wit, roze of (purper)rood; soms geurend. Vier meeldraden die op ongelijke hoogte zijn ingeplant in de kroon, en één lange stijl en twee tot vijf schutbladen. Deze lijnvormig, eivormig of elliptisch, vaak roodachtig en blijvend (zoals we ook mooi kunnen zien bij Leycesteria formosa, Lonicera involucrata en Heptacodium miconioides.). Vruchtbeginsel driehokkig, maar gewoonlijk één, zelden twee zaden bevattend. De vrucht is een smalle, leerachtige huls (nootje) met een cilindervormige zaad.



Culitvatie

De soorten variëren van niet of nauwelijks tot matig winterhard of iets vorstgevoelig. De winterharde soorten zijn probleemloze planten die barre omstandigheden kunnen overleven. Ze geven de voorkeur aan de volle zon of lichte schaduw en verlangen een goed doorlatende, kalkrijke grond. Ze verlangen ´s zomers echter wel regelmatig water. Ze zijn eenvoudig door zomerstek te vermeerderen en goed bestand tegen snoeien, bijvoorbeeld bij toepassing als lage haag. Behalve een enkele luis is de plant ongevoelig voor ziekten en plagen. Ook zijn ze goed geschikt als potplant op het terras en balkon. U kunt vanaf nu nazomeren met Abelia.

Abelia biflora

Breed uitgroeiend struikje met roodbruine eerst behaarde, later geheel kale twijgen. Bladeren zeer kort gesteeld, 3-5 cm lang, ovaal of ei-lancetvormig, bovenzijde kaal of zeer spaarzaam behaard. De onderzijde langs de nerven dicht behaard. Bloeit in juni tot in augustus met meestal twee bloemen aan een gemeenschappelijke steel. Ze zijn 1.2 cm lang, lichtroze, soms bijna wit met aan de basis breed uitzakkende kroonbuis die aan de buitenzijde behaard is. De kroonlobben zijn smal, bijna vlak. Schutbladen 4, omgekeerd lancetvormig. Inheems in China in de provincies Hubei, Shanxi, Liaoning en Korea.
Geïntroduceerd in 1923.

Abelia engleriana

Bijzondere heesters voor de tuin: Abelia een zeer ondergewaardeerde heester(100244043) Breed uitgroeiende struik tot 1.5 m hoog wordend met sierlijk overhangende twijgen. Jonge scheuten roodachtig en gewoonlijk kaal. Bladeren 2-6 cm lang, breed, ovaal of eivormig elliptisch met spitse top en een afgeronde of wigvormige bladvoet. Bovenzijde diepgroen, kaal, onderzijde iets lichter en behaard langs de hoofdnerf. Bloemen okselstandig aan korte stelen, alleenstaande of meerdere bijeen aan het einde der (zij)twijgen. Schutbladen twee, lancetvormig of langwerpig, 8-11 mm lang. Bloemkroon 1.5-2.5 cm lang, lichtroze aan de buitenzijde, in de keel met een oranje vlek, klokvormig, vernauwd tot een korte buis.
Inheems in West en Centraal China; west Hupeh, Sichuan en Shaanxi. Werd rond 1908 in het westen geïntroduceerd, waarschijnlijk door Wilson. Behoort tot de hardere soorten. Wordt in Nederland en België ook verkocht onder de naam Abelia graebneriana.

Abelia chinensis

Een bladverliezende, opgaande, soms wat spreidende struik tot 2 m hoog. Jonge twijgen roodbruin, zacht behaard. Bladeren 2-3.5 cm lang, eivormig met spitse top en afgeronde bladvoet, de rand gezaagd en gewimperd. Aan de bovenzijde glanzend donkergroen, kaal of alleen bij het uitlopen iets behaard, de onderzijde vooral langs de nerven behaard. Bloeit van juli tot in september met licht geurende, witte, soms iets roze aangelopen bloemen, meestal in clusters van één of drie aan korte stelen. Bloemen 12-15 mm lang, met vijf behaarde kelkslippen zolang als de kroonbuis welke trechtervormig is, de kroonlobben teruggeslagen.
Inheems in de Chinese provincies Zhejiang, Jiangxi, west Hubei en Fujian.
Geïntroduceerd in 1844, waarschijnlijk door Robert Fortune


Abelia ´Edward Goucher´

Bijzondere heesters voor de tuin: Abelia een zeer ondergewaardeerde heester(100244043)Is een hybride van Abelia × grandiflora × Abelia parvifolia.
Wintergroene of halfwintergroene, breed uitgroeiende struik tot 1.5 m hoog. Jonge scheuten roodachtig en donzig behaard. Bladeren 2-5 cm lang, smal eivormig tot eivormig, met toegespitste top en met meestal gave randen. De bovenzijde glimmend donkergroen en spaarzaam behaard en bezet met kleine klierhaartjes. Jonge bladeren wat bronskleurig evenals de herfstkleur.

Bloemen alleenstaand aan korte stelen, in kleine okselstandige clusters aan het einde der twijgen. Schutbladen twee, soms drie, deze 10 mm lang en langwerpig of elliptisch, rood, zo nu en dan getand of zwak tweelobbig aan de top. Bloembuis tot 2.5 cm lang, violetroze met oranje in de keel, klokvormig, versmallend onder het midden in een korte gebogen buis. Bloeit vanaf de zomer tot in de herfst.

De invloed van Abelia × grandiflora is te zien in de compacte habitus en de glimmende, blijvende bladeren en het gewoonlijk variabele aantal schutbladen met vaak twee lobben. De invloed van Abelia parvifolia is terug te vinden in de soms wat harige en wat klierachtige beharing op de bladeren, de tamelijk brede schutbladen en de grotere, meer trechtervormige, klokvormige bloembuis, en de sterk gekleurde bloemen.

Deze hybride is ontwikkeld door Edward Goucher in samenwerking met U.S. Department of Agriculture en geïntroduceerd door Glenn Dale, Maryland, USA, 1911. Dit is een zeer dankbare soort die meer aandacht verdient.

Abelia floribunda

Wintergroene struik tot 3 m hoog wordend met donzig behaarde jonge scheuten. Bladeren 1.5- 4 cm lang, eivormig, glimmend donkergroen en glad. Bloemen knikkend in kleine clusters aan het einde der twijgen. Schutbladen vijf, lancetvormig tot 10 mm lang met randhaartjes. Bloemkroon 3.5-5.5 cm lang, smal trechtervormig met gespreide lobben, helder tot donkerroze. Bloeitijd van juni tot en met augustus. Inheems in Mexico; Oaxaca, Puebla en het Vera Cruz district op 330 m hoogte, vanwaar ze is geïntroduceerd in Europa in 1841, waarschijnlijk door Carl Theodor Hartweg, die in Mexico en omringende landen aan het "verzamelen" was voor de Horticulture Society. Een van de mooiste soorten met zijn grote helder gekleurde bloemen maar helaas niet een van de hardste . Deze moet echt als een kuipplant behandeld worden

Abelia × grandiflora

Bijzondere heesters voor de tuin: Abelia een zeer ondergewaardeerde heester(100244043) Hybride van Abelia sinensis × Abelia uniflora. Half groenblijvende tot 1.5 m hoge struik, vaak wat breder dan hoog. Jonge twijgen roodachtig met een fijne donzige beharing. Bladeren 2-4 cm lang, eivormig, zwak getand, bovenzijde glanzend donkergroen, onderzijde lichtgroen, geheel kaal met uitzondering van kleine baarden in de nerfoksels bij de bladsteel. De bladeren vertonen een donker koperkleurige tint bij lage temperaturen. Bloeit van juni tot diep in september met trechtervormige bloemen, wit met roze getint, licht geurend en tot 2 cm lang. Schutbladen roodachtig, variërend in aantal van 2 tot 5, lancetvormig tot elliptisch langwerpig.


Het origineel van deze hybride is onbekend, maar geïntroduceerd door de Rovelli Brothers in Pallanza, Verbania bij Lake Maggiore, Italië, rond 1880. Hiervan zijn een aantal cultivars verkrijgbaar, waaronder:

Abelia spathulata

Bladverliezende struik 1.5-2 m hoog met bijna of geheel kale jonge twijgen. Bladeren 2.5-5.5 cm lang, eivormig met toegespitste top en gerond aan de basis, helder groen en kaal met uitzondering van de hoofdnerf aan de onderzijde. Bladrand meer of minder getand. Bloemen in clusters van twee of vier aan het einde van korte en laat gegroeide pijlen, zo een losse bloeiwijze vormend. Schutbladen vijf, smal langwerpig, roodachtig tot 7 mm lang. Bloemkroon 1.5-2.5 cm lang, trechtervormig met een slanke buis, crème wit met oranje vlekken in de keel. Bloeit in mei en juni.

Is endemisch in Japan: Honshu van Tohoku zuidwaarts, Shikoku en Kyushu.
Groeit op open, zonnige boshellingen van zeeniveau tot 1200 meter.
Geïntroduceerd in 1879 door Charles Maries voor de Veitch Nurseries.
De soort is zelden in cultuur.

Abelia triflora

Hoog opgroeiende struik tot 4 m hoog wordend. Twijgen eerst iets aanliggend behaard, later geheel kaal. Bladeren zeer kort gesteeld, 3-7 cm lang, lancetvormig of lang eivormig, met spitse top en breed-wigvormig toelopende of afgeronde bladvoet. De bladrand is gewoonlijk gaaf, aan jonge bladeren gewimperd, aanvankelijk de onderzijde iets behaard, later geheel kaal.
Bloeit in juni tot augustus(september) met witte of iets roze getinte, sterk geurende bloemen aan het einde der twijgen. Bloembuis 1.4 cm lang, trechtervormig. Schutbladen 5, lijnvormig tot 2 cm.
Inheems in het Noord-westen van de Himalaya, van Afghanistan oostenlijk tot Centraal Nepal op een hoogte van 1500-2400 m. Geïntroduceerd in 1840.

Heel veel tuinplezier en de hartelijke groeten van Arjan Laros.

Tuininformatie