Een droom: een eigen serre. Welk type kies je? In welke richting plaats je de serre?

Het aanbod van hobby serres is vandaag de dag zo uitgebreid en we zien, bijna dagelijks, zoveel hobby serres slecht benut of zelfs leeg staan, dat we meenden er iets aan te moeten doen om de liefhebber wegwijs te maken in de doolhof van mogelijkheden die voor hem opengaan, zodra hij besluit een serre te installeren.


Een greep uit het assortiment:

De ronde serre

In kleine tuinen en siertuinen, of indien u het moeilijk hebt met het uitzoeken van de serre, kunt u het beste een ronde serre kiezen. Deze zijn op zichzelf al decoratief en laten langs alle zijden evenveel licht door.
De ronde of zeshoekige serre is voor de kleine liefhebber nagenoeg ideaal te noemen.

De muurserre

De muurserre, uiteraard dicht bij huis, kan een ideaal kweekkasje zijn, omdat het aanbrengen van de leiding voor verwarming, water en elektriciteit, bij een muurserre, die tegen de woning aanleunt, eenvoudiger is en minder duur uitvalt. Een nadeel is natuurlijk de kleinere nuttige oppervlakte en de éénzijdige belichting, maar dit laatste is zeker minder belangrijk dan algemeen beweerd wordt, op voorwaarde echter dat de muur waar de serre tegenaan komt, een oost-west richting heeft. We kunnen uit ondervinding stellen dat, daar het licht ook van boven in de muurserre binnenvalt, de meeste planten weinig last hebben van de zogenaamd éénzijdige belichting.

De muurserre bestaat ook nog in twee uitvoeringen: met glas tot op de grond, al dan niet met een schuine opstaande wand of met een houten of stenen borstwering tot op lendenhoogte. Wij zouden kiezen voor het model met glas tot op de grond: tegen de muur kan dan altijd nog een tabletje aangebracht worden. Bovendien is de muurserre in de winter doorgaans warmer en in elk geval gemakkelijker te verwarmen dan de vrijstaande serre.

Vrijstaande serre

In de vrijstaande serres willen we het eerst hebben over de bloemen- of kweekserre, ook tablettenserre genoemd. Dit zijn serretjes naar het model van de bloemistenserre, met een houten of stenen borstwering en waarin tabletten (kweekbakken) op heuphoogte zijn aangebracht. De bodem van het tablet komt zowat 70-80 cm boven de grond, de opstaande wanden zijn doorgaans 15 cm hoog.
Het tablet is max. 90 cm breed. Omwille van de luchtcirculatie in de serre is het beter het tablet niet vast te maken aan de zijwand, maar tussen het tablet en de zijwand een spleet te laten van ongeveer 5 cm breed.
Deze serres zijn bijzonder geschikt voor het kweken van potplanten, het forceren van bloembollen, het kweken van vroege zaailingen en stekken en voor het aanleggen van een collectie cactussen en vetplanten.

Het kleine warenhuis of hobbyserre

Dit is de hobbyserre met glas tot op de grond, het best geschikt voor de teelt van groenten, snijbloemen, chrysanten, druiven en perziken. Ook hiervan bestaan twee modellen: met rechtop staande wanden en schuine zijwanden. Deze met schuine zijwanden zijn het meest geschikt voor de teelt van druiven (zie de klassieke druivenserre), snijbloemen en perziken. De warenhuisserres met rechtopstaande wanden worden meer gebruikt voor groenteteelt in volle grond, chrysanten en oranjerieplanten.

Oriëntering en inplanting

Noord-zuid

Theoretisch wordt het meest een noord-zuid oriëntering van de nok aangeprezen, omdat in dit geval de kas het meest nut haalt uit de ochtenden avondzon (licht en warmte) en minder warm wordt op het middaguur dan bijvoorbeeld bij een oost-west oriëntering van de nok. De noord-zuid oriëntering wordt als de beste beschouwd voor alle vroege lenteteelten, voor de globale groenteteelt in het bijzonder.

Oost-west

Een oost-west oriëntering van de nok wordt het meest aanbevolen voor een cactus- of vetplantenserre, omdat dan de meeste warmte tijdens het middaguur wordt opgenomen. Vandaar dat bij een oost-west oriëntering de serre in de winter meestal warmer is, omdat dan een optimale benutting van de middagwarmte mogelijk is.

Even relativeren

Hoewel de oriëntering van de serre zeker niet zonder belang is, kan het toch geen reden zijn om de serre niet in te passen in het totale concept van de tuin. De tuin moet in zijn geheel gezien worden en de serre moet zodanig ingeplant worden, dat ze geen storend element vormt in de esthetiek van de tuin. Serreteelten vragen intensieve zorgen: de toegang tot de serre moet dan ook gemakkelijk zijn. Als algemene regel kan gesteld worden: hoe dichter bij de woning, hoe beter en hoe goedkoper het installeren van de verschillende noodzakelijke leidingen zal uitvallen.

Verwarming en automatisering

Verwarming

Een serre is er in de eerste plaats om buiten het normale teeltseizoen de planten te vervroegen of te verlaten en om er tijdens de zomer planten in te telen die het onder ons klimaat in de open lucht minder goed doen (komkommers, meloenen, tomaten, paprika, pepers, aubergine, enz.) Wie in een serre planten wenst te overwinteren, zal een temperatuurverschil van 15-20 ° C moeten overbruggen: van - 5° buiten tot + 10° C in de serre (tijdens de normale winters) en van - 10° tot + 10° C tijdens strenge winters. Wenst u in het vroege voorjaar (januari-februari) jonge zaailingen en stekken op te kweken, dan hebt u in de serre een groeitemperatuur van 18 tot 20° C nodig, om het hernemen van de groei te bevorderen.

Om goede resultaten te bekomen, zullen de liefhebbers die tegelijk planten willen overwinteren en pootgoed opkweken, er rekening mee moeten houden dat beide teelten een afzonderlijke verzorging nodig hebben.
Dit is op te lossen door bijvoorbeeld één tablet of een half tablet te voorzien van een bodemverwarmingskabel en boven het tablet nog een supplementaire ruit aan te brengen of door een verwarmd miniserretje (broedstoof) in de serre te plaatsen. Uit hetgeen we hierboven gezegd hebben, zal de liefhebber al begrepen hebben dat hij het best een thermosstatisch regelbare verwarming kan installeren.

Omdat elektriciteit voor verwarming nog altijd te duur is, omdat oliebranders moeilijk thermostatisch geregeld kunnen worden en omdat deze bovendien op een schoorsteen aangesloten moeten worden, kunnen we de liefhebber aanraden om propaan - of aardgasbranders te gebruiken. De CO2 die bij de verbranding door gasbranders wordt vrijgegeven, werkt bovendien groeibevorderend. Anderzijds dient er rekening mee gehouden te worden dat enkel speciaal geconstrueerde gasbranders (voor serres of badkamers) in aanmerking komen: de gewone huistoestellen hebben immers te veel te lijden van roestvorming.

Een precieze thermostaat en een nauwkeurige regeling zijn geen overbodige luxe. Let erop dat de voeler niet te kort bij de brander hangt en ook niet vlak bij een luchtraam. De voeler moet de gemiddelde kastemperatuur kunnen waarnemen. Tevens dient er rekening mee gehouden te worden, dat de werkelijke minimum en maximum temperatuur, respectievelijk steeds iets lager en hoger ligt dan de ingestelde temperaturen op de thermostaat: na het aanslaan van het verwarmingselement gaat de afkoeling in de serre trouwens nog een tijdje door, terwijl na het afslaan van de verwarming de opwarming nog een tijdje doorloopt.

De liefhebber die zich een serre aanschaft, doet uiteraard een zware investering: hij moet dan ook trachten er zoveel mogelijk nut en voldoening uit te halen. Een goed ingerichte verwarming zal hem hierbij zeker veel diensten bewijzen. De capaciteit van de verwarming is natuurlijk ook afhankelijk van de doelstellingen die de liefhebber zich stelt. Zo mag bijvoorbeeld in een orchideeënserre de minimumtemperatuur nooit onder de 18° C zakken: een cactus- en vetplantenserre daarentegen kan het al stellen met een minimum van 5 - 10° C.

Automatische verluchting

Wanneer de zon schijnt, wordt het in de serre vlug te warm, wat. niet goed is voor onze planten, evenmin als de grote schommelingen die men op die wijze krijgt tussen minimum en maximum temperatuur. Daarom moet regelmatig gelucht worden. Met het luchten worden temperatuur en luchtvochtigheid geregeld. Wanneer enige automatisering zeer zeker nodig is, dan is het zeker het automatisch luchten: automatisch luchten bij te hoge temperatuur en het automatisch sluiten van de verluchting, indien de temperatuur te laag zakt. De automatische verluchtingssystemen zijn bovendien vrij eenvoudig en zeker niet te duur.

Automatische bevloeiing- en gietsystemen

Omdat potplanten minder afhankelijk zouden zijn van de individuele watergift, werden ze vroeger in het tablet, op een vochtig bed van zand, koolasse of turf gezet. Thans bestaan er systemen met bevloeiingsdarmpjes met vlotter (geperforeerde en zogenaamde zweetdarmen), bevloeiingsmatten, zandbedden met waterspiegel en vlottersysteem enz.

De liefhebber die dagelijks uit werken gaat en ook eens met vakantie wil of soms druk bezette weekends heeft, zal zich bij het installeren van een hobby serre vooraf goed moeten bezinnen. Eén nalatigheid kan in de serre catastrofale gevolgen hebben, waarbij een met veel geduld en geld aangelegde verzameling van planten of een paar bedden jong pootgoed compleet de vernieling ingaan door o.a.:

- te lage temperatuur (vriespunt)

- te hoge temperatuur (door niet tijdig te luchten)

- uitdrogen van de potgrond (te warm en te droog)

Zonder te overdrijven kunnen we stellen dat in één tot twee dagen al onze teelten of een volledige collectie subtropische en tropische planten verloren kunnen gaan. We kunnen derhalve besluiten dat een automatische verluchting, een temperatuurregeling op thermostaat en een automatisch bevloeiingssysteem geen overbodige luxe zijn in een hobby serre, doch eerder noodzakelijke attributen, wil men het meeste nut en echte voldoening halen uit de vrij grote,investering die het installeren van een hobby serre met zich meebrengt.

Belichting

Het meest onmisbare levenselement voor onze planten is het licht. Veel tegenslagen bij het telen van pootgoed, kamerplanten, stekken en zaailingen vinden hun oorzaak in een gebrek aan licht. Vooral vanaf half oktober tot eind april zijn de dagen te kort om zeker te zijn van een voldoende sterke plantengroei. Jonge planten (stekken en zaailingen) gaan dan rekken of fileren, andere planten vergelen, verliezen hun onderste bladeren of kwijnen gewoon weg.

Als algemene regel kan gesteld worden dat de meeste planten veertien uur licht nodig hebben, per dag, willen ze goed groeien, zonder dat ze gaan fileren (rekken). Ook de planten die we gewoon in de serre wensen te overwinteren, vragen een dergelijke daglengte. Dit houdt in dat tijdens de winter ongeveer zes uur extra licht per dag nodig is: we geven dit bij voorkeur ´s avonds, vanaf de schemering tot bijvoorbeeld het slapen gaan.
Over de verschillende vormen van kunstlicht in de plantenteelt en over de diverse lamptypes is al heel wat wetenschappelijk onderzoek verricht en is al heel wat inkt gevloeid. Om pootgoed op te kweken en planten te overwinteren kunnen we echter zonder meer stellen dat de liefhebber zich het best bij gewone TL-lampen kan houden, met name de nrs. 53 of 55 van het type F. De TL-lampen worden één meter boven de planten geïnstalleerd, in waterdichte armaturen (druppen van condenswater).

Een TL-lamp, op deze wijze geïnstalleerd, bestrijkt een breedte van ong. 80 cm. Opgemerkt zij nog, dat de meeste planten sterk reageren op de daglengte: zo zal lentesla slechts gaan doorschieten wanneer de dagen langer worden en gaan chrysanten pas bloeien, wanneer na een lange dag periode, de daglengte weer ingekort wordt. Dit is echter een cultuurtechnisch probleem dat afzonderlijk per gewas bekeken moet worden.

Luchtvochtigheid en klimaat

Met het klimaat bedoelen we de onderlinge verhouding tussen luchttemperatuur, luchtvochtigheid, bodemtemperatuur en het voor de planten beschikbare water in de grond, samen met de wijze van belichting (rechtstreeks of onrechtstreeks zonlicht). Het ideale klimaat voor een plant of plantengroep is in de eerste plaats afhankelijk van de herkomst van de planten en het groeistadium waarin ze zich bevinden. Om zaailingen, stekken, pas verspeende kiemplantjes en jonge planten in het algemeen goed te laten doorgroeien is enige bodemwarmte en een iets hogere luchtvochtigheid gewenst.

Jonge planten halen over het algemeen meer nut uit een iets hogere bodemtemperatuur (grotere wortelactiviteit) dan uit een verhoogde luchttemperatuur: in dit laatste geval gaan ze gemakkelijker fileren (rekken).

Pas gestekte of verspeende planten vragen een hogere luchtvochtigheid om hun verdamping zoveel mogelijk te beperken, daar het jonge of beschadigde wortelgestel anders niet bij machte is voldoende water aan te voeren.
De planten gaan dan verleppen en sterven af.

Bij een te lage temperatuur en een te hoge luchtvochtigheid treden nogal gemakkelijk verrottingsverschijnselen op (in de winter). Bij een hoge luchttemperatuur zakt de luchtvochtigheid gemakkelijk te laag, met het gevolg dat de planten te veel water verdampen, zonder dat de wortels voor voldoende aanvoer kunnen zorgen, wat op zijn beurt,het verleppen van de planten tot gevolg heeft.
Als algemene regel kan gesteld worden, dat bij een kastemperatuur van 15-18 ° C, de luchtvochtigheid 75 tot 85 % moet bedragen.

Bij een temperatuur van 12 tot 15° C hoort een, luchtvochtigheid van 65 tot 75 %. Een hygrometer zal bijgevolg, vooral in het begin, een nuttig instrument zijn. Bovendien dient er bij voorbeeld rekening mee gehouden te, worden, dat sommige sierplanten uit het tropisch oerwoud komen, waar het warm en vochtig is, zonder dat de rechtstreekse zonnestralen er ooit binnendringen (orchideeën), dat komkommers van een hoge luchtvochtigheid houden en dat tomaten een altijd vochtige grond eisen, zonder dat daarom de luchtvochtigheid hoger dan 80-85 % hoeft te zijn.

Een vochtige bodem, zonder de luchtvochtigheid op te drijven, kan bereikt worden door ondergrondse bevloeiing: een hoge luchtvochtigheid wordt bereikt door bij voorbeeld de wegen kletsnat te gieten, de bodemwarmte op te drijven in een natte grond (verdamping) of eenvoudig door een luchtbevochtiger te plaatsen of regelmatig te broezen.

Het begin van elke serreteelt

De grond

Zorg steeds voor een kiemvrije (steriele), humusrijke grond die tevens vrij is van onkruidzaden. Alvorens een teelt op gang te brengen, moeten de grond en de serre uiteraard op temperatuur gebracht worden.
Voor uw zaaiing gebruikt u het best een neutrale veengrond, die dan voor het verspenen, al naar gelang van de teelt, verrijkt wordt met meststoffen of goed verteerde mestaarde en/of verzwaard wordt met graszodenaarde of compost. De grond dient in elk geval vrij te zijn van ziektekiemen, insecteneieren, larven en zouten.

Bemesting

Elke basisbemesting in de serre moet organisch zijn: gebruik hiervoor goed verteerde stalmest, compost, gedroogde mest of een chloorarme samengestelde organische meststof. Voor de bijbemestingen, die onder glas vrijwel steeds noodzakelijk zijn, worden chloorvrije of chloorarme samengestelde minerale meststoffen gebruikt. In geval u met chloorvrije of chloorarme meststoffen te doen hebt, staat dit altijd vermeld op het wettelijk verplichte etiket.

Doordat in de serre vaak twee- tot driemaal per jaar gezaaid en geoogst wordt, zal in elk geval aan de bemesting de nodige aandacht geschonken worden. Voor groenteteelt is een basisbemesting van 60 tot 120 kg goed verteerde stalmest of 30 tot 60 kg stadsvuilcompost per 10 m² zeker niet overdreven. Een aanvullende bemesting met 400 tot 500 g per 10 m² van een volledig samengestelde meststof is bovendien nog noodzakelijk.
Geeft u de voorkeur aan het gebruik van een samengestelde organische meststof, dan is een gift van 1,5 tot 2,5 kg per 10 m² zeker geen overdaad.

Een overconcentratie aan voedingszouten in de grond kan voor uw teelten catastrofale gevolgen hebben. Om dit te vermijden, is het beter de chemische meststoffen en de samengestelde organische meststoffen in verscheidene beurten toe te dienen en is het noodzakelijk de grond regelmatig vochtig te houden. Vreest u toch voor een overlast aan voedingszouten, geef dan overvloedig water, d.w.z. zet de grond een paar maal na elkaar onder water.
Na het opdrogen van de oppervlakte, wordt deze natuurlijk weer verkruimeld.

Tuininformatie